Inleiding

Maar één ding is noodzakelijk voor een nieuw begin. Voor verzoening met de wereld bestaat één voorwaarde waaraan ieder moreel begrip met andere volken is gebonden, en zonder de vervulling waarvan jullie Duitsers nooit zullen begrijpen wat jullie overkomt. Dat is het heldere inzicht in de onuitwisbaarheid van wat een door schandelijke leermeesters tot bestialiteit opgeleid Duitsland de mensheid heeft aangedaan; het is de volledige en onbevangen kennisname van verschrikkelijke misdaden, waarvan jullie feitelijk nog altijd het minste weten, deels omdat men jullie afsloot en met geweld in domheid en afgestomptheid vasthield, deels omdat jullie uit instinct tot zelfbehoud de kennis van deze gruwel van jullie geweten weghielden.

Maar die kennis moet tot in jullie geweten doordringen, als jullie willen begrijpen en leven, en er zal een geweldig werk van opheldering nodig zijn, dat jullie niet als propaganda mogen minachten, om jullie tot mensen met kennis te maken. Wat een schandfilosofie van de smerigste hoogmoed jullie machthebbers in staat heeft gesteld te doen, wat zij door de handen van jullie zonen, door jullie handen hebben laten doen, is ongelooflijk — maar het is waar...

Duitsers, jullie moeten het weten. Ontzetting, schaamte en berouw zijn het eerste wat nodig is. En slechts één haat is nodig: die tegen de schurken die de Duitse naam voor God en voor de hele wereld tot een gruwel hebben gemaakt.

Thomas Mann

Titelpagina van Der gelbe Stern
Titelpagina van de oorspronkelijke uitgave.

Inleiding

Duitsland, jij moet de vermoorden niet vergeten — en ook de moordenaars niet.

Winkels worden geplunderd, gebedshuizen branden. Honderden sleeën trekken door de sneeuw van een buitenwijk van Łódź naar het getto; een oude man wankelt, aan de arm van zijn zoon, een deportatietrein tegemoet. In een Russisch dorp vindt in de open lucht een droevige massabijeenkomst plaats van ter dood veroordeelden. In Amsterdam wacht een kleine jongen, met zijn houten paardje naast zich, op de registratie. En op het laadperron in Auschwitz staat een arts in uniform mensen uit te zoeken voor de gaskamer.

Wat gebeurt hier?

Zij noemden het ‘hervestiging ’ wanneer zij mensen naar vernietigingskampen afvoerden, ‘inbeslagname ’ wanneer zij hun slachtoffers hun laatste eigendom ontnamen, en spraken van ‘speciale behandeling ’ wanneer zij moord bedoelden.

Wat hier in dit boek wordt getoond, is onze eigen daad. Zij gebeurde door ons, ook wanneer wij haar niet persoonlijk hebben gepleegd. Wij hebben haar geduld; zij gaat ons aan. Daarom staan wij er niet onbevangen tegenover en zouden wij haar het liefst niet willen erkennen.

De Jodenvervolging was slechtséén, maar wel de verschrikkelijkste misdaad onder de ontelbare andere die door de nazi ’s werden begaan. Juist aan dit voorbeeld wordt de mensvijandige aard van hun ideologie en het criminele karakter van hun praktijk bijzonder duidelijk. De massamoord op miljoenen onschuldige mensen was geen ontsporing van het nationaalsocialisme, maar juist de consequente toepassing van zijn eigen beginselen.

Er bestaat al een omvangrijke literatuur over het verschijnsel antisemitisme en over het regime van de gaskamers waarin het zijn afschuwelijke verwezenlijking vond. Dit boek doet de poging de geschiedenis van de Jodenvervolging door het Derde Rijk in beelden te vertellen. Het is een boek van doden. Alle hier afgebeelde mensen, voor zover niet een uitzonderlijk geluk hen redde, werden vermoord. Alleen hun vervolgers zijn, voor zover hen geen bijzonder onheil trof, nog in leven.

Tot een drama samengebald verschijnt hier in boekvorm wat in werkelijkheid een eindeloos proces van toenemende kwellingen was. De jaren van vernedering, honger, angst en sterven laten zich door geen enkele foto oproepen. Zij zijn optisch niet volledig te vatten. De beelden kunnen slechts een vermoeden geven van wat er gebeurde. Zij kunnen proberen te beschrijven wat anderen hebben beleefd en doorgemaakt; laten meemaken en werkelijk laten begrijpen kunnen zij het ons niet.

Bereiken deze beelden van een duister gisteren ons nog wel in de bedrijvigheid van onze haastig gerestaureerde wereld? Zijn zij niet bijna alweer een leugen, zoals zij nu voor ons verschijnen, op kunstdrukpapier en keurig gebonden, gefilterd uit de werkelijkheid, maar zonder haar vuil, zonder de bloedvlekken en zonder de angstkreten? Onze verbeelding moet erbij denken wat ontbreekt: de andere atmosfeer van een door geweld en ontzetting vergiftigde lucht, de harde stappen van laarzen op het plaveisel en de bevelende stemmen van veroveraars die in het Duits schreeuwen en zich als wilde dieren gedragen, omdat men hun heeft geleerd dat hun slachtoffers geen mensen zijn.

Ontbreekt het blaffen van de schoten en het verstikte snikken van kinderen die hun gezicht verbergen in de rok van hun moeder; ontbreekt de verstikkende stank die van de ovens over het kamp trekt, en het surrealistische contrapunt van opgewekte operettemuziek die de ochtendmars van gevangenen naar het werk en de gang van doodstransporten naar de gaskamers begeleidt.

De bijbelse profetieën over het Laatste Oordeel en de angstvisioenen van Kafka werden werkelijkheid. De monsters van Hiëronymus Bosch verhieven zich in menselijke gedaante. Zij hadden geen paddenkoppen, geen slagtanden en geen paardenpoten, maar een gladgeschoren kin en een strak getrokken scheiding, en zij waren brave huisvaders. Zij bewogen zich in auto ’s en vliegtuigen en doodden via telex en met chemische giffen. Dante ’s inferno vestigde zich in de moderne wereld.

Zoals de nazi-propaganda juist door de omvang van haar onwaarheid geloofwaardig leek, omdat niemand zulke fantastische leugens voor mogelijk hield, zo was de waarheid over de nazi-misdaden zó onvoorstelbaar dat de daders zichzelf konden geruststellen met de gedachte dat het Duitse volk haar toch nooit zou geloven, maar haar als buitenlandse propaganda zou afdoen.

Ik herinner mij hoe ik voor het eerst het museum van Auschwitz zag. De magazijnen, tot aan het plafond volgestapeld met wasgoed en schoenen; de wagonladingen vrouwenhaar, tandenborstels, brillen, prothesen en koffers, uitgestald achter grote glazen wanden. Toen betrapte ik mij op de wanhopige hoop dat dit slechts een nachtmerrie was; dat de astronomische cijfers die onze begeleider noemde op rekenfouten berustten; dat de verstikkende bergen bewijsmateriaal, deze indringende zwijgende getuigen, door een optische spiegeling tot zo afschuwelijke grootte waren opgehoopt. En toch wist ik dat dit magazijn slechts een verwaarloosbaar klein deel bevatte van de persoonlijke bezittingen van de slachtoffers — de achtergebleven resten die men aan het einde van de oorlog niet meer had kunnen wegvoeren. En Auschwitz was slechtséén van die doodsfabrieken die mensen wagon na wagon machinaal doodden en verbrandden, zoals andere industrieën goederen produceren.

De geïllustreerde pers heeft ons aan de gruwel gewend: branden, aardbevingen, overstromingen, een racewagen die uit de baan wordt geslingerd, een mens die van een brug in de dood springt. Met tactloze nieuwsgierigheid fotografeert de camera in open kisten en in de wenende gezichten van de achterblijvers. Maar bijna altijd zijn het natuurrampen of afzonderlijke ongelukken waarvan de reporter min of meer toevallig getuige werd. Het onthutsende aan de beelden van dit boek is dat het hier gaat om een door de staat geplande, miljoenvoudige misdaad, fase na fase in beeld vastgelegd. En het monsterlijkste: het zijn de moordenaars zelf die zich tijdens hun werk laten fotograferen.

Stel je voor dat een professionele moordenaar een vriend opdracht geeft hem op te nemen terwijl hij zijn slachtoffer uitkiest, in de val lokt en doodt, om de aldus verkregen beelden als herinnering in zijn fotoalbum te plakken. Precies dat is hier de situatie. De opnamen zijn vrijwel zonder uitzondering van Duitse herkomst. Zij werden in meerderheid gemaakt door officiële persfotografen van het regime en voor een kleiner deel door particuliere amateurs in Duits uniform.

Men legde werkelijk regelrechte fotoalbums aan waarin men verslag deed van uitwijzingen en executies alsof het om een vakantiereis naar de Oostzee of het Reuzengebergte ging. In veel wetenschappelijke instituten kunnen wij deze macabere imitaties van het oude familiealbum nog altijd bekijken: de officiële, bestemd voor de archieven van het Derde Rijk of voor een of andere Himmler, of de particuliere, die Hitlers krijgers mee naar huis wilden brengen als aandenken aan verrichte heldendaden, waarvoor zij extra rantsoenen schnaps en sigaretten kregen, maar ook onderscheidingen die later weer werden gedragen.

Men ziet hier altijd alleen de kleine helpers, de opdrijvers en doodslagers. Van de groten, de theoretici en organisatoren, de propagandisten en grootaandeelhouders van de rassenwaan, bestaat geen beeld dat hun activiteit voldoende karakteriseert. Zij bleven aan hun bureau en lieten zich niet zien waar hun plannen werden uitgevoerd.

De foto ’s overdrijven niet. Waren zij gemaakt vanuit het perspectief van de vervolgden, die hun eigen lijden en de wreedheden van hun beulen weergeven, dan zou een ander beeld ontstaan. Misschien zou het voor menigeen hier leerzaam zijn de ‘heersersras ’-mens eens te zien in de rol waarin een heel continent hem heeft beleefd en onthouden.

De mensen die hier worden getoond, moesten zich laten fotograferen. Zij, die de zekere dood tegemoet gingen en vaak al wisten dat zij moesten sterven, zagen de camera van de vijand op zich gericht. Hun blik in de lens treft ons, die deze foto ’s twintig jaar later beschouwen, en verplaatst ons in de rol van de moordenaars. Het zijn blikken van angstige verwachting en hopeloze wanhoop, van heldere schrik en berusting in het eigen lot. Veel gezichten zijn wantrouwig gesloten. Andere proberen een armzalige glimlach van angst, om de Duitse heer gunstig te stemmen. Sommigen vielen op hun knieën en kusten de handen van de vreemde mannen in doodshoofduniform om genade af te smeken, omdat zij in hen nog altijd mensen zagen en geloofden hun hart te kunnen raken. Maar die laatsten hielden zichzelf voor dat de smekenden ongedierte waren, zoals zij het in hun kazernes en ordensburchten hadden geleerd, en voerden het bevel van hun opdrachtgevers uit.

De herkomst van de foto ’s brengt een dubbele eenzijdigheid met zich mee. In hun verblinding voelden de moordenaars zich als Siegfried die de draak neerslaat. Zij zagen zichzelf in de rol van held en hun weerloze slachtoffers als ondermensen. Hun opnamen zijn een poging die verhouding te documenteren. De fotografen hebben veel tijd besteed aan het vastleggen van hun objecten in zo ongunstig mogelijke situaties. Zij vertrouwden op de primitieve psychologie dat bange, gekwelde, oververmoeide mensen op de oppervlakkige beschouwer gemakkelijk afstotend overkomen. Maar zij zochten ook bewust steeds fysiognomieën uit die naar hun voorstelling bijzonder onsympathiek waren en het dichtst kwamen bij het karikatuurbeeld van de Jood dat de antisemitische propaganda van de nazi ’s had gevormd.

Het is aangrijpend te zien hoe in deze beelden desondanks de waarheid telkens weer doorbreekt. Hoeveel menselijke waardigheid de slachtoffers nog in de grootste vernedering en machteloosheid bewaren, en hoe ruwheid en geweld, die zich ijdel uitstallen, daartegenover armzalig en gemeen worden. Of het nu gaat om mollige kleine kinderen of afgeleefde oude mensen: de gedachte aan hun vermoording brengt de vervolgden dicht bij ons en doet ons opkomen voor het recht van ieder mens op leven. Of het nu harde, verkrampte gelaatsuitdrukkingen van wreedheid zijn of zachte jongemansgezichten: in deze situatie en door deze daden ontmaskerd, staan de geüniformeerden voor onze ogen als moordenaars.

Anderzijds proberen de foto ’s het barbaarse en bloedige karakter van de gebeurtenissen te versluieren, om vooral geen opwellingen van menselijk medelijden op te roepen. Zo zijn de beelden van het leven in het getto van Warschau en van zijn vernietiging, maar ook de opnamen uit het vernietigingskamp, naar alles wat wij daarover uit officiële en particuliere berichten en verborgen filmopnamen weten, in hun stilering bijna onwaar; zó veel erger was de werkelijkheid. Maar veel geraakt ondanks de zelfcensuur toch in beeld: omdat men het vanzelfsprekend vond dat vrouwen zich moesten uitkleden voor de zwaarbewapende mannen van de executiecommando ’s, dat moeders hun zuigelingen op de arm de gaskamer in droegen en dat kinderen moesten toezien hoe hun ouders werden neergemaaid. De beelden in dit boek tonen wat de moordenaars nog ‘fotografeerbaar ’ vonden.

De documentatie is noodzakelijk onvolledig. Er ontbreekt veel. Opnamen over de vervaardiging van zeep uit de lichamen van vermoorden, van mensen van wie ledematen door SS-artsen werden verminkt, van lampenkappen van getatoeëerde mensenhuid en naar de wijze van koppensnellers geprepareerde scalpen zijn bewust niet in deze verzameling opgenomen. Er bestaan naturalistische details die hoogstens voor de pathologie van belang zijn, zonder tot het algemene begrip van deze mensheidstragedie bij te dragen.

Van het leven van ondergedokenen en gevluchten, die maandenlang op een zolder of in een kelderhol verborgen voortvegeteerden, tot zij vaak toch nog door onvoorzichtigheid of verraad in handen van de Gestapo vielen, bestaat geen beeld. Van het stille heldendom van degenen die hun eigen leven waagden om de vervolgden te helpen, en van hen die het verzet tegen een onmenselijk systeem organiseerden, bestaan slechts de ooggetuigenverslagen van enkele overlevenden.

Over de massa-executies van de Joodse bevolking in de bezette gebieden van de Sovjet-Unie bestaat weinig bereikbaar beeldmateriaal. Al in 1941 werd een algemeen verbod uitgevaardigd om executies fotografisch vast te leggen. Men probeerde ook alle al bestaande fotoseries in te trekken, omdat men vreesde dat zij via krijgsgevangen geraakte soldaten aan de andere kant terecht zouden komen. De aanwezige beelden geven slechts een ontoereikend idee van de beestachtige brutaliteit en de gigantische omvang van deze afslachting van een volledige bevolkingsgroep. De camera voert ons ook slechts tot aan de drempel van de gaskamer. Wat zich daar afspeelde, wanneer de grote bunkerdeuren vergrendeld waren, zagen alleen de SS ’ers die door kleine observatieruitjes het proces van het langzame verstikken volgden, en de ongelukkige gevangenen van het Sonderkommando die daarna de vermoorden moesten wegdragen en in de ovens schuiven.

Het aanschouwen van dit laatste station blijft voor ons afgesloten en bespaard. Het sterven, de dood zelf, onttrekt zich aan onze blik. Maar wij zien de eindeloze stoet gedeporteerden uit Duitsland en uit alle bezette landen van Europa zijn lijdensweg beginnen, via registratie en opvangkamp, getto en dwangarbeid, tot aan het laatste station: de vernietiging. Een stoet van miljoenen, te voet, op karren, in goederenwagons en vrachtwagens, op weg naar het niets. Wij zien mensen zich uitkleden, wij zien de ovens waarin zij verdwenen, en wij zien de kleren en schoenen die van hen zijn overgebleven.

De jaren gaan voorbij. De barakken in Birkenau, die ooit tot aan het dak gevuld waren met menselijke nood en kwelling, staan leeg en vervallen. De kuilen waarin men mensen verbrandde, hebben zich met regenwater gevuld en zijn tot met riet omzoomde poelen geworden. Alleen de witgrijze verkleuring van de aarde herinnert nog aan wiens as hier werd verstrooid. Van de opgeblazen gaskamers en crematoria bleven slechts enkele gebarsten betonplaten over en verbogen ijzerdraden die hun roestige vingers in de lucht steken. Tussen de hutten woekeren grote struiken bloeiende hondsrozen. En de door vele duizenden houten klompen vastgestampte grond, waarop geen spriet groeide, is tot een golvende weide geworden die in de zomer wordt gemaaid.

Laat het verleden rusten, eisen vandaag degenen die het te verbergen hebben. Besmeur de Duitse naam niet, roepen degenen die hem met hun bloedige handen hebben bevlekt. Laat er gras over groeien, raden de moordenaars ons aan. En velen spreken hen gedachteloos na. Zij vergeten dat men zich buiten Duitsland een veel scherpere herinnering aan die jaren heeft bewaard en dat de feiten die hier vaak nog verstokt zwijgen of ongelovige verbazing ontmoeten, allang algemeen bekend zijn. Zij die zwegen toen het tijd was om te spreken, spreken nu luid over verzoening. Zelfs welwillenden spreken hoogstens van schaamte. Maar er blijft een medeschuld waarvan men zich niet eenvoudig kan vrijkopen en die men niet kan ‘goedmaken ’. De doden kan niemand weer tot leven wekken. Wat gebeurd is, kan niet ongedaan worden gemaakt.

Achteraf morele veroordeling en menselijk medelijden zijn niet genoeg. Het gaat erom de historische feiten tot ons te nemen, de maatschappelijke oorzaken te begrijpen die ze mogelijk maakten, en ons bewust te worden van de eigen verantwoordelijkheid voor wat er om ons heen gebeurt. Wij ontsnappen niet aan ons verleden door het uit het geheugen te verdringen. Alleen wanneer wij ons ermee uiteenzetten en de lessen van die jaren begrijpen, kunnen wij ons bevrijden van de erfenis van Hitlers barbarij. Politiek is geen onafwendbaar lot. Zij wordt door mensen gemaakt en kan door mensen veranderd worden.