Inleiding
Maar één ding is noodzakelijk voor een nieuw begin. Voor verzoening met de wereld bestaat één voorwaarde waaraan ieder moreel begrip met andere volken is gebonden, en zonder de vervulling waarvan jullie Duitsers nooit zullen begrijpen wat jullie overkomt. Dat is het heldere inzicht in de onuitwisbaarheid van wat een door schandelijke leermeesters tot bestialiteit opgeleid Duitsland de mensheid heeft aangedaan; het is de volledige en onbevangen kennisname van verschrikkelijke misdaden, waarvan jullie feitelijk nog altijd het minste weten, deels omdat men jullie afsloot en met geweld in domheid en afgestomptheid vasthield, deels omdat jullie uit instinct tot zelfbehoud de kennis van deze gruwel van jullie geweten weghielden.
Maar die kennis moet tot in jullie geweten doordringen, als jullie willen begrijpen en leven, en er zal een geweldig werk van opheldering nodig zijn, dat jullie niet als propaganda mogen minachten, om jullie tot mensen met kennis te maken. Wat een schandfilosofie van de smerigste hoogmoed jullie machthebbers in staat heeft gesteld te doen, wat zij door de handen van jullie zonen, door jullie handen hebben laten doen, is ongelooflijk — maar het is waar...
Duitsers, jullie moeten het weten. Ontzetting, schaamte en berouw zijn het eerste wat nodig is. En slechts één haat is nodig: die tegen de schurken die de Duitse naam voor God en voor de hele wereld tot een gruwel hebben gemaakt.
Thomas Mann
Inleiding
Duitsland, jij moet de vermoorden niet vergeten — en ook de moordenaars niet.
Winkels worden geplunderd, gebedshuizen branden. Honderden sleeën trekken door de sneeuw van een buitenwijk van Łódź naar het getto; een oude man wankelt, aan de arm van zijn zoon, een deportatietrein tegemoet. In een Russisch dorp vindt in de open lucht een droevige massabijeenkomst plaats van ter dood veroordeelden. In Amsterdam wacht een kleine jongen, met zijn houten paardje naast zich, op de registratie. En op het laadperron in Auschwitz staat een arts in uniform mensen uit te zoeken voor de gaskamer.
Wat gebeurt hier?
Zij noemden het ‘hervestiging ’ wanneer zij mensen naar vernietigingskampen afvoerden, ‘inbeslagname ’ wanneer zij hun slachtoffers hun laatste eigendom ontnamen, en spraken van ‘speciale behandeling ’ wanneer zij moord bedoelden.
Wat hier in dit boek wordt getoond, is onze eigen daad. Zij gebeurde door ons, ook wanneer wij haar niet persoonlijk hebben gepleegd. Wij hebben haar geduld; zij gaat ons aan. Daarom staan wij er niet onbevangen tegenover en zouden wij haar het liefst niet willen erkennen.
De Jodenvervolging was slechtséén, maar wel de verschrikkelijkste misdaad onder de ontelbare andere die door de nazi ’s werden begaan. Juist aan dit voorbeeld wordt de mensvijandige aard van hun ideologie en het criminele karakter van hun praktijk bijzonder duidelijk. De massamoord op miljoenen onschuldige mensen was geen ontsporing van het nationaalsocialisme, maar juist de consequente toepassing van zijn eigen beginselen.
Er bestaat al een omvangrijke literatuur over het verschijnsel antisemitisme en over het regime van de gaskamers waarin het zijn afschuwelijke verwezenlijking vond. Dit boek doet de poging de geschiedenis van de Jodenvervolging door het Derde Rijk in beelden te vertellen. Het is een boek van doden. Alle hier afgebeelde mensen, voor zover niet een uitzonderlijk geluk hen redde, werden vermoord. Alleen hun vervolgers zijn, voor zover hen geen bijzonder onheil trof, nog in leven.
Tot een drama samengebald verschijnt hier in boekvorm wat in werkelijkheid een eindeloos proces van toenemende kwellingen was. De jaren van vernedering, honger, angst en sterven laten zich door geen enkele foto oproepen. Zij zijn optisch niet volledig te vatten. De beelden kunnen slechts een vermoeden geven van wat er gebeurde. Zij kunnen proberen te beschrijven wat anderen hebben beleefd en doorgemaakt; laten meemaken en werkelijk laten begrijpen kunnen zij het ons niet.
Bereiken deze beelden van een duister gisteren ons nog wel in de bedrijvigheid van onze haastig gerestaureerde wereld? Zijn zij niet bijna alweer een leugen, zoals zij nu voor ons verschijnen, op kunstdrukpapier en keurig gebonden, gefilterd uit de werkelijkheid, maar zonder haar vuil, zonder de bloedvlekken en zonder de angstkreten? Onze verbeelding moet erbij denken wat ontbreekt: de andere atmosfeer van een door geweld en ontzetting vergiftigde lucht, de harde stappen van laarzen op het plaveisel en de bevelende stemmen van veroveraars die in het Duits schreeuwen en zich als wilde dieren gedragen, omdat men hun heeft geleerd dat hun slachtoffers geen mensen zijn.
Ontbreekt het blaffen van de schoten en het verstikte snikken van kinderen die hun gezicht verbergen in de rok van hun moeder; ontbreekt de verstikkende stank die van de ovens over het kamp trekt, en het surrealistische contrapunt van opgewekte operettemuziek die de ochtendmars van gevangenen naar het werk en de gang van doodstransporten naar de gaskamers begeleidt.
De bijbelse profetieën over het Laatste Oordeel en de angstvisioenen van Kafka werden werkelijkheid. De monsters van Hiëronymus Bosch verhieven zich in menselijke gedaante. Zij hadden geen paddenkoppen, geen slagtanden en geen paardenpoten, maar een gladgeschoren kin en een strak getrokken scheiding, en zij waren brave huisvaders. Zij bewogen zich in auto ’s en vliegtuigen en doodden via telex en met chemische giffen. Dante ’s inferno vestigde zich in de moderne wereld.
Zoals de nazi-propaganda juist door de omvang van haar onwaarheid geloofwaardig leek, omdat niemand zulke fantastische leugens voor mogelijk hield, zo was de waarheid over de nazi-misdaden zó onvoorstelbaar dat de daders zichzelf konden geruststellen met de gedachte dat het Duitse volk haar toch nooit zou geloven, maar haar als buitenlandse propaganda zou afdoen.
Ik herinner mij hoe ik voor het eerst het museum van Auschwitz zag. De magazijnen, tot aan het plafond volgestapeld met wasgoed en schoenen; de wagonladingen vrouwenhaar, tandenborstels, brillen, prothesen en koffers, uitgestald achter grote glazen wanden. Toen betrapte ik mij op de wanhopige hoop dat dit slechts een nachtmerrie was; dat de astronomische cijfers die onze begeleider noemde op rekenfouten berustten; dat de verstikkende bergen bewijsmateriaal, deze indringende zwijgende getuigen, door een optische spiegeling tot zo afschuwelijke grootte waren opgehoopt. En toch wist ik dat dit magazijn slechts een verwaarloosbaar klein deel bevatte van de persoonlijke bezittingen van de slachtoffers — de achtergebleven resten die men aan het einde van de oorlog niet meer had kunnen wegvoeren. En Auschwitz was slechtséén van die doodsfabrieken die mensen wagon na wagon machinaal doodden en verbrandden, zoals andere industrieën goederen produceren.
De geïllustreerde pers heeft ons aan de gruwel gewend: branden, aardbevingen, overstromingen, een racewagen die uit de baan wordt geslingerd, een mens die van een brug in de dood springt. Met tactloze nieuwsgierigheid fotografeert de camera in open kisten en in de wenende gezichten van de achterblijvers. Maar bijna altijd zijn het natuurrampen of afzonderlijke ongelukken waarvan de reporter min of meer toevallig getuige werd. Het onthutsende aan de beelden van dit boek is dat het hier gaat om een door de staat geplande, miljoenvoudige misdaad, fase na fase in beeld vastgelegd. En het monsterlijkste: het zijn de moordenaars zelf die zich tijdens hun werk laten fotograferen.
Stel je voor dat een professionele moordenaar een vriend opdracht geeft hem op te nemen terwijl hij zijn slachtoffer uitkiest, in de val lokt en doodt, om de aldus verkregen beelden als herinnering in zijn fotoalbum te plakken. Precies dat is hier de situatie. De opnamen zijn vrijwel zonder uitzondering van Duitse herkomst. Zij werden in meerderheid gemaakt door officiële persfotografen van het regime en voor een kleiner deel door particuliere amateurs in Duits uniform.
Men legde werkelijk regelrechte fotoalbums aan waarin men verslag deed van uitwijzingen en executies alsof het om een vakantiereis naar de Oostzee of het Reuzengebergte ging. In veel wetenschappelijke instituten kunnen wij deze macabere imitaties van het oude familiealbum nog altijd bekijken: de officiële, bestemd voor de archieven van het Derde Rijk of voor een of andere Himmler, of de particuliere, die Hitlers krijgers mee naar huis wilden brengen als aandenken aan verrichte heldendaden, waarvoor zij extra rantsoenen schnaps en sigaretten kregen, maar ook onderscheidingen die later weer werden gedragen.
Men ziet hier altijd alleen de kleine helpers, de opdrijvers en doodslagers. Van de groten, de theoretici en organisatoren, de propagandisten en grootaandeelhouders van de rassenwaan, bestaat geen beeld dat hun activiteit voldoende karakteriseert. Zij bleven aan hun bureau en lieten zich niet zien waar hun plannen werden uitgevoerd.
De foto ’s overdrijven niet. Waren zij gemaakt vanuit het perspectief van de vervolgden, die hun eigen lijden en de wreedheden van hun beulen weergeven, dan zou een ander beeld ontstaan. Misschien zou het voor menigeen hier leerzaam zijn de ‘heersersras ’-mens eens te zien in de rol waarin een heel continent hem heeft beleefd en onthouden.
De mensen die hier worden getoond, moesten zich laten fotograferen. Zij, die de zekere dood tegemoet gingen en vaak al wisten dat zij moesten sterven, zagen de camera van de vijand op zich gericht. Hun blik in de lens treft ons, die deze foto ’s twintig jaar later beschouwen, en verplaatst ons in de rol van de moordenaars. Het zijn blikken van angstige verwachting en hopeloze wanhoop, van heldere schrik en berusting in het eigen lot. Veel gezichten zijn wantrouwig gesloten. Andere proberen een armzalige glimlach van angst, om de Duitse heer gunstig te stemmen. Sommigen vielen op hun knieën en kusten de handen van de vreemde mannen in doodshoofduniform om genade af te smeken, omdat zij in hen nog altijd mensen zagen en geloofden hun hart te kunnen raken. Maar die laatsten hielden zichzelf voor dat de smekenden ongedierte waren, zoals zij het in hun kazernes en ordensburchten hadden geleerd, en voerden het bevel van hun opdrachtgevers uit.
De herkomst van de foto ’s brengt een dubbele eenzijdigheid met zich mee. In hun verblinding voelden de moordenaars zich als Siegfried die de draak neerslaat. Zij zagen zichzelf in de rol van held en hun weerloze slachtoffers als ondermensen. Hun opnamen zijn een poging die verhouding te documenteren. De fotografen hebben veel tijd besteed aan het vastleggen van hun objecten in zo ongunstig mogelijke situaties. Zij vertrouwden op de primitieve psychologie dat bange, gekwelde, oververmoeide mensen op de oppervlakkige beschouwer gemakkelijk afstotend overkomen. Maar zij zochten ook bewust steeds fysiognomieën uit die naar hun voorstelling bijzonder onsympathiek waren en het dichtst kwamen bij het karikatuurbeeld van de Jood dat de antisemitische propaganda van de nazi ’s had gevormd.
Het is aangrijpend te zien hoe in deze beelden desondanks de waarheid telkens weer doorbreekt. Hoeveel menselijke waardigheid de slachtoffers nog in de grootste vernedering en machteloosheid bewaren, en hoe ruwheid en geweld, die zich ijdel uitstallen, daartegenover armzalig en gemeen worden. Of het nu gaat om mollige kleine kinderen of afgeleefde oude mensen: de gedachte aan hun vermoording brengt de vervolgden dicht bij ons en doet ons opkomen voor het recht van ieder mens op leven. Of het nu harde, verkrampte gelaatsuitdrukkingen van wreedheid zijn of zachte jongemansgezichten: in deze situatie en door deze daden ontmaskerd, staan de geüniformeerden voor onze ogen als moordenaars.
Anderzijds proberen de foto ’s het barbaarse en bloedige karakter van de gebeurtenissen te versluieren, om vooral geen opwellingen van menselijk medelijden op te roepen. Zo zijn de beelden van het leven in het getto van Warschau en van zijn vernietiging, maar ook de opnamen uit het vernietigingskamp, naar alles wat wij daarover uit officiële en particuliere berichten en verborgen filmopnamen weten, in hun stilering bijna onwaar; zó veel erger was de werkelijkheid. Maar veel geraakt ondanks de zelfcensuur toch in beeld: omdat men het vanzelfsprekend vond dat vrouwen zich moesten uitkleden voor de zwaarbewapende mannen van de executiecommando ’s, dat moeders hun zuigelingen op de arm de gaskamer in droegen en dat kinderen moesten toezien hoe hun ouders werden neergemaaid. De beelden in dit boek tonen wat de moordenaars nog ‘fotografeerbaar ’ vonden.
De documentatie is noodzakelijk onvolledig. Er ontbreekt veel. Opnamen over de vervaardiging van zeep uit de lichamen van vermoorden, van mensen van wie ledematen door SS-artsen werden verminkt, van lampenkappen van getatoeëerde mensenhuid en naar de wijze van koppensnellers geprepareerde scalpen zijn bewust niet in deze verzameling opgenomen. Er bestaan naturalistische details die hoogstens voor de pathologie van belang zijn, zonder tot het algemene begrip van deze mensheidstragedie bij te dragen.
Van het leven van ondergedokenen en gevluchten, die maandenlang op een zolder of in een kelderhol verborgen voortvegeteerden, tot zij vaak toch nog door onvoorzichtigheid of verraad in handen van de Gestapo vielen, bestaat geen beeld. Van het stille heldendom van degenen die hun eigen leven waagden om de vervolgden te helpen, en van hen die het verzet tegen een onmenselijk systeem organiseerden, bestaan slechts de ooggetuigenverslagen van enkele overlevenden.
Over de massa-executies van de Joodse bevolking in de bezette gebieden van de Sovjet-Unie bestaat weinig bereikbaar beeldmateriaal. Al in 1941 werd een algemeen verbod uitgevaardigd om executies fotografisch vast te leggen. Men probeerde ook alle al bestaande fotoseries in te trekken, omdat men vreesde dat zij via krijgsgevangen geraakte soldaten aan de andere kant terecht zouden komen. De aanwezige beelden geven slechts een ontoereikend idee van de beestachtige brutaliteit en de gigantische omvang van deze afslachting van een volledige bevolkingsgroep. De camera voert ons ook slechts tot aan de drempel van de gaskamer. Wat zich daar afspeelde, wanneer de grote bunkerdeuren vergrendeld waren, zagen alleen de SS ’ers die door kleine observatieruitjes het proces van het langzame verstikken volgden, en de ongelukkige gevangenen van het Sonderkommando die daarna de vermoorden moesten wegdragen en in de ovens schuiven.
Het aanschouwen van dit laatste station blijft voor ons afgesloten en bespaard. Het sterven, de dood zelf, onttrekt zich aan onze blik. Maar wij zien de eindeloze stoet gedeporteerden uit Duitsland en uit alle bezette landen van Europa zijn lijdensweg beginnen, via registratie en opvangkamp, getto en dwangarbeid, tot aan het laatste station: de vernietiging. Een stoet van miljoenen, te voet, op karren, in goederenwagons en vrachtwagens, op weg naar het niets. Wij zien mensen zich uitkleden, wij zien de ovens waarin zij verdwenen, en wij zien de kleren en schoenen die van hen zijn overgebleven.
De jaren gaan voorbij. De barakken in Birkenau, die ooit tot aan het dak gevuld waren met menselijke nood en kwelling, staan leeg en vervallen. De kuilen waarin men mensen verbrandde, hebben zich met regenwater gevuld en zijn tot met riet omzoomde poelen geworden. Alleen de witgrijze verkleuring van de aarde herinnert nog aan wiens as hier werd verstrooid. Van de opgeblazen gaskamers en crematoria bleven slechts enkele gebarsten betonplaten over en verbogen ijzerdraden die hun roestige vingers in de lucht steken. Tussen de hutten woekeren grote struiken bloeiende hondsrozen. En de door vele duizenden houten klompen vastgestampte grond, waarop geen spriet groeide, is tot een golvende weide geworden die in de zomer wordt gemaaid.
Laat het verleden rusten, eisen vandaag degenen die het te verbergen hebben. Besmeur de Duitse naam niet, roepen degenen die hem met hun bloedige handen hebben bevlekt. Laat er gras over groeien, raden de moordenaars ons aan. En velen spreken hen gedachteloos na. Zij vergeten dat men zich buiten Duitsland een veel scherpere herinnering aan die jaren heeft bewaard en dat de feiten die hier vaak nog verstokt zwijgen of ongelovige verbazing ontmoeten, allang algemeen bekend zijn. Zij die zwegen toen het tijd was om te spreken, spreken nu luid over verzoening. Zelfs welwillenden spreken hoogstens van schaamte. Maar er blijft een medeschuld waarvan men zich niet eenvoudig kan vrijkopen en die men niet kan ‘goedmaken ’. De doden kan niemand weer tot leven wekken. Wat gebeurd is, kan niet ongedaan worden gemaakt.
Achteraf morele veroordeling en menselijk medelijden zijn niet genoeg. Het gaat erom de historische feiten tot ons te nemen, de maatschappelijke oorzaken te begrijpen die ze mogelijk maakten, en ons bewust te worden van de eigen verantwoordelijkheid voor wat er om ons heen gebeurt. Wij ontsnappen niet aan ons verleden door het uit het geheugen te verdringen. Alleen wanneer wij ons ermee uiteenzetten en de lessen van die jaren begrijpen, kunnen wij ons bevrijden van de erfenis van Hitlers barbarij. Politiek is geen onafwendbaar lot. Zij wordt door mensen gemaakt en kan door mensen veranderd worden.
Hitler-Duitsland
In Hitler-Duitsland
Antisemitisme was een fundamenteel bestanddeel van Hitlers programma. Antisemitisme was de magische formule waarmee hij alle maatschappelijke misstanden verklaarde en de politiek gedesoriënteerde massa ’s aan zijn kant kreeg. Antisemitisme was het middel waarmee hij de rechtsorde verbrijzelde, de dictatuur vestigde en het Duitse volk in zijn misdaden verstrikte.
Op 30 januari 1933 komt Hitler aan de macht. De onderdrukking van alle andersdenkenden begint. Na de Rijksdagbrand zet de openlijke terreur in. Tegelijk wordt ook de vervolging van de Joden versterkt. Sprekoren van de SA dwingen rechters hun zittingen af te breken; professoren kunnen hun colleges niet meer geven; voorbijgangers worden op straat neergeslagen.
Op de verschrikkelijke berichten die in de wereldpers verschijnen, antwoordt de regering met nog meer terreur. Als ‘afweermaatregel tegen de gruwelhetze ’ organiseert zij de eerste centrale boycot van alle Joodse artsen, advocaten en winkeliers. SA-posten stellen zich op voor winkels en kantoren. Wie de dreigementen negeert, riskeert in elkaar geslagen en publiekelijk aangeprangerd te worden. De boycot breidt zich al spoedig uit tot alle gebieden van het geestelijke leven. De verzen van Heine en de muziek van Mendelssohn, het werk van Sigmund Freud en Einsteins formules, Liebermanns schilderijen en Reinhardts theater hebben geen plaats meer in Duitsland.
De ‘zuivering ’ van de openbare bibliotheken van Joodse auteurs wordt een actie tegen de Duitse literatuur van de eigen tijd en tegen de vrije geest in het algemeen. 250 schrijvers, Joden en niet-Joden, onder hen Thomas Mann, Heinrich Mann, Bertolt Brecht, Stefan Zweig, Hugo von Hofmannsthal, Franz Werfel, Erich Kästner en Kurt Tucholsky, worden verboden. Nadat de nazi-propaganda eenmaal de absurde these had gepopulariseerd dat de Joden overal schuldig aan waren, was het voldoende ongewenste denkrichtingen en iedere oppositie als Joods beïnvloed voor te stellen om hun verwijdering en de fysieke vervolging van hun aanhangers te rechtvaardigen. In deze zin was voor de nazi ’s iedere tegenstander van Hitler een Jood, en als hij geen Jood was, dan was hij een ‘Joodsknecht ’. Voor iedere geweldsmaatregel, van het verbod op democratische partijen en vrije vakbonden tot de strijd tegen de christelijke kerken, leverden antisemitische leuzen de rechtvaardiging.
Op de wilde terreur, die de wetten vooruitloopt, volgen de wetten die de terreur legitimeren. Uit het ene beroep na het andere worden de Joodse burgers uitgesloten. Al deze acties worden begeleid door een steeds heftiger hetscampagne, die de slachtoffers van de absurdste misdaden beschuldigt om tegenover de bevolking een alibi te scheppen voor het eigen optreden en verdere, nog ergere maatregelen psychologisch voor te bereiden. In de zomer van 1935 bedekt Duitsland zich op aanwijzing van de NSDAP met verbodsborden waarop Joden worden gewaarschuwd voor het betreden van restaurants, badinrichtingen en hele dorpen of steden. Zo wordt in het openbaar de indruk gewekt alsof het Duitse volk de wetgever zelf tot ingrijpen dwingt.
Op 15 september neemt de Rijksdag de antisemitische Neurenberger Wetten aan: de Rijksburgerschapswet, die de Joden tot staatsburgers van de tweede rang vernederde, en de middeleeuwse Wet ter bescherming van Duits bloed en Duitse eer, die huwelijken tussen Joden en niet-Joden verbood. Zij vormen de basis voor een hele vloed aan verordeningen en nieuwe wetten waarmee de Joden van hun laatste rechten worden beroofd.
In 1938 groeit de vervolging uit tot een openlijke pogrom. De synagogen worden in brand gestoken, mensen worden opgejaagd en mishandeld, hun woningen en winkels vernield of geplunderd. De regering organiseert het grote bedrijf van de ‘arisering ’ van Joods bezit en van de heffing van een ‘Rijksvluchtbelasting ’ op emigratie.
Mensen van wie de families al eeuwen in Duitsland wonen, trekken naar het buitenland. De ellende van de emigratie begint. Maar wie niet tot overzee weet te vluchten, is nog niet buiten gevaar.
Op 30 januari 1939 dreigt Hitler in de Rijksdag voor het geval van een oorlog, die hij reeds voorbereidt, met de vernietiging van alle Joden in Europa.
Twee leesproeven uit 1935
Uit de nationaalsocialistische studentenbond wordt aan Der Stürmer geschreven:
Tot voor kort verzette men zich in de kinderkliniek van de medische academie met succes tegen alles wat met kennis van bloed en ras te maken had. Een groot deel van de verplegers van het Rode Kruis voelde zich namelijk innig verbonden met hun volledig Joodse chef, professor Eckstein. Met meewarige glimlach ontmoette men daar degenen die het waagden dit innige en harmonische geheel als misschien niet geheel tijdsconform aan te merken. Integendeel: in onwrikbare trouw brachten zusters het zelfs zover dat zij controleerden of aanwijzingen van de chef door zijn niet-Joodse artsen ook werkelijk werden uitgevoerd.
Toen kwam er plotseling een barst in deze wonderlijke harmonie. Veel boze studenten wilden de colleges van de Jood niet meer horen en zo moest Eckstein zijn koffers pakken. Wat een grote smart bij de hem toegewijde schare zusters toen de afscheidsstond van de meester aanbrak! Bijna allen traden zijn kamer binnen en namen ontroerd afscheid. Maar daarmee was de zaak voor deze zusters van het Duitse Rode Kruis nog allerminst afgedaan. Men begon geld in te zamelen, tot bedragen van tien Rijksmark toe. En dat geld kwam niet ten goede aan behoeftige Duitse mensen, maar — men staune! — de zusters kochten ervan een medaillon van zuiver goud, met daarin een afbeelding van de kinderkliniek in Düsseldorf, en dit sieraad werd de Jood Eckstein als onvergetelijk aandenken ten geschenke gedaan.
Wij schrijven overigens 1935, en enige tijd geleden is ook aan deze brave zusters reeds hun nieuwe dienstinsigne verleend. Daarop ziet men een Duitse adelaar die een hakenkruis op de borst draagt.
Der Stürmer, september 1935
Lieve Stürmer!
Gauleiter Streicher heeft ons zo veel over de Joden verteld dat wij hen grondig zijn gaan haten. Wij hebben op school een opstel geschreven onder de titel: ‘De Joden zijn ons ongeluk ’. Ik zou willen vragen mijn opstel af te drukken.
‘De Joden zijn ons ongeluk. ’ Helaas zeggen vandaag nog velen: ‘De Joden zijn ook schepselen van God. Daarom moeten jullie hen ook achten. ’ Maar wij zeggen: ‘Ongedierte zijn ook dieren, en toch verdelgen wij het. ’ De Jood is een mengeling. Hij draagt erfelijke eigenschappen van Ariërs, Aziaten, Negers en Mongolen in zich. Bij een mengeling overheerst het kwade. Het enige goede dat hij heeft, is de witte kleur. Een spreekwoord van de bewoners van de Zuidzee-eilanden luidt: ‘De blanke is van God, en de zwarte is van God. Maar de mengeling is van de duivel. ’ Jezus zei eens tegen hen: ‘Jullie hebben niet God tot vader, maar de duivel. ’ De Joden hebben een slecht wetboek. Dat is de Talmoed. Ook zien de Joden in ons het dier en behandelen ons daarnaar. Geld en goed nemen zij ons met alle list af. Ook al aan het hof van Karel de Frank regeerden Joden. Daarom werd het Romeinse recht ingevoerd. Dat paste niet bij de Duitse boer: het was ook geen wet voor de Romeinse akkerburger, maar een Joodse handelswet. Zeker zijn de Joden ook schuldig aan de moord op Karel de Frank. In Gelsenkirchen heeft de Jood Grüneburg aas aan ons verkocht. Dat mag hij volgens zijn wetboek. Opstanden hebben de Joden aangestookt en tot oorlog hebben zij aangezet. Rusland hebben zij in het ongeluk gestort. In Duitsland gaven zij de KPD geld en betaalden zij de moordknechten. Wij stonden aan de rand van het graf. Toen kwam Adolf Hitler.
Nu zijn de Joden in het buitenland en hitsen tegen ons. Maar wij laten ons niet van de wijs brengen en volgen de Führer. Wij kopen niets bij de Jood. Iedere penning die wij hun geven, doodt een van onze naasten. Heil Hitler!
Erna Listing, Gelsenkirchen, Oswaldstr. 8 — Der Stürmer, januari 1935
De Neurenberger Wetten
Rijksburgerschapswet van 15 september 1935
§ 1 (1) Staatsburger is wie tot de beschermingsgemeenschap van het Duitse Rijk behoort en daaraan bijzondere verplichtingen heeft.
§ 2 (1) Rijksburger is alleen de staatsburger van Duits of verwant bloed die door zijn gedrag bewijst gewillig en geschikt te zijn om in trouw het Duitse volk en Rijk te dienen.
§ 3 De Rijksminister van Binnenlandse Zaken vaardigt in overeenstemming met de plaatsvervanger van de Führer de voor uitvoering en aanvulling van de wet vereiste rechts- en bestuursvoorschriften uit.
Wet ter bescherming van Duits bloed en Duitse eer van 15 september 1935
§ 1 (1) Huwelijkssluitingen tussen Joden en staatsburgers van Duits of verwant bloed zijn verboden. Desondanks gesloten huwelijken zijn nietig, ook wanneer zij ter omzeiling van deze wet in het buitenland zijn gesloten.
(2) De nietigheidsvordering kan alleen door de officier van justitie worden ingesteld.
§ 2 Buitenechtelijk verkeer tussen Joden en staatsburgers van Duits of verwant bloed is verboden.
§ 5 (1) Wie handelt in strijd met het verbod van § 1 wordt gestraft met tuchthuis.
(2) De man die handelt in strijd met het verbod van § 2 wordt gestraft met gevangenisstraf of tuchthuis.
§ 6 De Rijksminister van Binnenlandse Zaken vaardigt in overeenstemming met de plaatsvervanger van de Führer en de Rijksminister van Justitie de voor uitvoering en aanvulling vereiste rechts- en bestuursvoorschriften uit.
...en het commentaar erop
De nationaalsocialistische staatsleiding heeft het onwrikbare geloof in de zin van de almachtige Schepper te handelen wanneer zij probeert de eeuwige, ijzeren wetten van leven en natuur, die zowel het lot van het individu als dat van de gemeenschap beheersen en bepalen, opnieuw tot uitdrukking te brengen in de staats- en volksorde van het Derde Rijk, voor zover dat met de onvolmaakte middelen waarover mensen beschikken mogelijk is. De rechts- en staatsorde van het Derde Rijk moet opnieuw in overeenstemming worden gebracht met de levenswetten, met de voor lichaam, geest en ziel van de Duitse mens eeuwig geldende natuurwetten. Het gaat dus bij de volkse en staatkundige herordening van onze dagen om niets minder dan de hererkenning en het herstel van de in diepste zin door God gewilde organische levensorde in het Duitse volks- en staatsleven.
De wet ter bescherming van het bloed trekt de scheiding tussen Joods en Duits bloed in biologische zin. De in het decennium vóór de machtsomwenteling om zich heen grijpende afbraak van het gevoel voor het belang van de zuiverheid van het bloed en de daarmee verbonden ontbinding van alle volkse waarden maakte wettelijk ingrijpen bijzonder dringend. Omdat voor het Duitse volk alleen van de zijde van het Jodendom een acute bedreiging dreigde, beoogt de wet in de eerste plaats verdere bloedvermenging met Joden te verhinderen.
Geen sinds de nationaalsocialistische revolutie uitgevaardigde wet betekent zo ’n volkomen breuk met de geesteshouding en de staatsopvatting van de vorige eeuw als de Rijksburgerschapswet. Tegenover de leer van de gelijkheid van alle mensen en van de principieel onbeperkte vrijheid van het individu tegenover de staat stelt het nationaalsocialisme hier de harde, maar noodzakelijke inzichten van de door de natuurwetten bepaalde ongelijkheid en verscheidenheid van mensen. Uit de verscheidenheid van rassen, volken en mensen volgen noodzakelijk verschillen in rechten en plichten van individuen. Deze in het leven en in de onveranderlijke natuurwetten gegronde verscheidenheid voert de Rijksburgerschapswet door in de politieke basisorde van het Duitse volk.
Stuckart/Globke, commentaren op de Duitse rassenwetgeving
De ‘Rijkskristalnacht ’
Berlijn, nr. 234404, 9 november, 23.55 uur — aan alle Stapo-kantoren en Stapo-leidinggevenden
Dit bericht moet onmiddellijk langs de snelste weg worden voorgelegd.
1. Binnen zeer korte tijd zullen in heel Duitsland acties tegen Joden plaatsvinden, in het bijzonder tegen hun synagogen. Zij mogen niet worden verstoord. In overleg met de ordepolitie moet echter worden gewaarborgd dat plunderingen en andere bijzondere ontsporingen kunnen worden verhinderd.
2. Indien zich in synagogen belangrijk archiefmateriaal bevindt, moet dit onmiddellijk veiliggesteld worden.
3. Voor te bereiden is de arrestatie van ongeveer 20.000 tot 30.000 Joden in het Rijk. In het bijzonder moeten vermogende Joden worden geselecteerd. Nadere aanwijzingen volgen nog in de loop van de nacht.
4. Mocht bij de komende acties blijken dat Joden in het bezit van wapens zijn, dan moeten de scherpste maatregelen worden genomen. Voor de totale acties kunnen SS-troepen en de Algemene SS worden ingezet. Door passende maatregelen moet in ieder geval worden gewaarborgd dat de leiding van de acties bij de Gestapo blijft.
Gestapo II, Müller — dit bericht is geheim
SA van de NSDAP, Darmstadt, 11 november 1938 — aan SA-groep Kurpfalz, Mannheim
Op 10 november 1938, om 3 uur, bereikte mij het volgende bevel: ‘Op bevel van de groepsleider moeten onmiddellijk binnen brigade 50 alle Joodse synagogen worden opgeblazen of in brand gestoken. Nevenhuizen die door Arische bevolking worden bewoond, mogen niet beschadigd worden. De actie moet in burgerkleding worden uitgevoerd. Muiterij of plunderingen moeten worden verhinderd. Bericht van uitvoering om 8.30 uur aan de brigadeleider of dienstpost. ’
De leider van brigade 50 (Starkenburg)
SS-Sturm 10/25 Geldern, 14 november 1938 — Betreft: actie tegen de Joden
De actie binnen de Landkreis Geldern en in Xanten werd uitsluitend uitgevoerd door leden van SS-Sturm 10/25. De bevelen kwamen op 10 november 1938 omstreeks 9.30 uur telefonisch van SS-Sturmbann III/25. De eerste maatregel was het in brand steken van de synagoge in Geldern tegen 4 uur ’s ochtends. Tegen 9 uur was deze tot op de buitenmuren afgebrand. Enkele bijbels in Hebreeuws schrift werden veiliggesteld. Gelijktijdig werd de inrichting van de synagoge in Xanten (een woonhuis) volledig verwoest. Twee Joodse zaken in het gebied van de Sturm werden eveneens totaal vernield.
Bij de overige Joden, voormalige veehandelaren en nu particulieren, werd de woninginrichting totaal kapotgeslagen en onbruikbaar gemaakt, nadat etalages en ruiten vooraf waren ingegooid. Tot ongeveer 11 uur werden alle mannelijke Joden van 15 tot 70 jaar door de politie gearresteerd en voorlopig in lokale arrestantenverblijven ondergebracht. De bevolking gedroeg zich passief tegenover de demonstraties. Omdat er geen grotere winkels waren, is het niet tot plunderingen gekomen.
De leider van SS-Sturm 10/25
Vandaag ontwaakt een nieuw geloof, de mythe van het bloed, het geloof dat ook met het bloed het goddelijke wezen van de mens in het algemeen verdedigd moet worden. Het met het helderste weten belichaamde geloof dat het noordische bloed dat mysterie vormt dat de oude sacramenten vervangt en overwint.
— Alfred Rosenberg
Mijn maatregelen zullen niet worden aangetast door juridische bedenkingen of door welke bureaucratie dan ook. Ik heb geen rechtvaardigheid uit te oefenen, maar te vernietigen en uit te roeien.
— Hermann Göring in de Frankfurter Festhalle, 4 maart 1933
Jarenlang hadden Hitlers aanhangers hun haat op de muren van Joodse begraafplaatsen en godshuizen geschreven. Nu zetten zij hun dreigementen om in daden. Dit beeld van advocaat dr. Spiegel ging de wereldpers rond: een mens zoekt bescherming bij de politie tegen de SA-terreur. Maar de SA was intussen zelf al tot ‘hulppolitie ’ benoemd.
De boycot van zaterdag moet slechts worden beschouwd als een generale repetitie voor een reeks maatregelen die, als de mening van de wereld, die nu tegen ons is, niet definitief verandert, zullen worden uitgevoerd.
Völkischer Beobachter, 3 april 1933
Berlijn, 11 mei. — De Berlijnse studentenbeweging heeft gisteren rond middernacht de voorgenomen autodafé uitgevoerd van de boeken die zij in haar actie ‘tegen de on-Duitse geest ’ uit de uitleenbibliotheken had gehaald. De door haar opgestelde zwarte lijst was zeer omvangrijk. Niet alleen Karl Marx, Bebel en Lassalle, Remarque, Renn en Tucholsky, Theodor Heuss, Rathenau en Gumbel, maar ook Schnitzler, Werfel en de gebroeders Zweig bevonden zich onder vele anderen op die lijst.
Frankfurter Zeitung
Dit was slechts een voorspel. Daar waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen.
Heinrich Heine
Berlijn, 16 augustus. — Gisteren sprak de Frankenleider, Gauleiter Julius Streicher, in het Berlijnse Sportpalast voor ongeveer 16.000 mensen. Nog eens 5.000 Berlijners waren in de tennishallen, de opéén na grootste overdekte zaal van de hoofdstad, bijeen, waar de rede van partijgenoot Streicher via luidsprekers werd uitgezonden. Al dagen tevoren waren de kaarten voor beide zalen volledig uitverkocht. ‘Wat gaat het iemand aan, ’ verklaarde Streicher, ‘wanneer wij in ons huis schoonmaak houden? ... Men moet zich er niet mee bemoeien wanneer wij in Duitsland rassenschenders door de straten voeren om daarmee afschrikwekkend te werken ... De Jodenvraag is niet, zoals sommigen aannemen, al opgelost met de nationaalsocialistische machtsovername. Het zwaarste werk begint juist nu. ’
Göring: Hoeveel synagogen zijn er daadwerkelijk afgebrand?
Heydrich: In totaal zijn 101 synagogen door brand verwoest, 76 synagogen vernield, 7.500 winkels in het Rijk kapotgemaakt ...
Goebbels: Dan moet de Jood de schade betalen ...
Heydrich: De materiële schade, inventaris- en warenschade schatten wij op vele honderden miljoenen ...
Göring: Mij was het liever geweest dat jullie 200 Joden hadden doodgeslagen dan zulke waarden te vernietigen.
Heydrich: Het zijn 35 doden.
Göring: Ik zal de formulering kiezen dat de Duitse Joden als geheel als straf voor de schandelijke misdaden enzovoort enzovoort een contributie vanéén miljard wordt opgelegd. Dat zal werken.
Uit het protocol van de vergadering in het Rijksluchtvaartministerie op 12 november 1938
Nu volgden de wetten slag op slag. Joden mochten stedelijke parken en openbare plaatsen niet meer betreden. Zij werden uitgesloten van theaters, bioscopen, concertzalen en musea. Hun kinderen werden van school gestuurd. Zij verloren de huurbescherming, mochten geen huisdieren meer houden, moesten hun vermogen aangeven, hun radio ’s en al hun sieraden inleveren. Na 20.00 uur mochten zij niet meer op straat komen. Zij kregen speciaal gemarkeerde identiteitsbewijzen.
Zoals in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije begon ook in Memel onmiddellijk na de Duitse intocht de terreur tegen de Joden. Duizenden vluchtten naar Litouwen. Deze foto van verschrikte kinderen die aan de hand van hun ouders door een haag van grijnzende SA-mannen naar het station vluchten, verscheen enkele dagen later in de Engelse pers.
Na de ‘Kristallnacht ’ groeide de emigratie, die sinds de afkondiging van de Neurenberger Wetten steeds groter was geworden, uit tot een massale vlucht. Honderdduizenden vluchtten naar het buitenland om aan de vervolging te ontkomen. Velen probeerden op gecharterde oude stoomschepen naar Palestina te komen. Maar menig schip vond geen haven of verging na wekenlange zwerftochten nog vóór de reddende kust.
Voordat Hitler zijn roofoorlog tegen vreemde volken kon beginnen, moest hij eerst het Duitse volk verslaan. En hij versloeg het met vlaggen en revolvers, marsmuziek en concentratiekampen, met nieuwe arbeidsplaatsen waar voor de oorlog werd gewerkt, en met het bezit van de Joodse buren. De besten van de natie, ware patriotten, kwamen in opstand tegen het onrecht. Het waren er velen, maar te weinig. De stem van het geweten ging ten onder in het heilgeschreeuw van een gefanatiseerde menigte of werd met geweld tot zwijgen gebracht.
Getto’s
Proefterrein Polen
Met de laster van de Joden als ‘ondermensen ’ correspondeerde de voorstelling van het noordische ‘heersersras ’, dat het natuurlijke recht zou hebben de wereld te beheersen en andere volken te onderwerpen. Op de vestiging van de dictatuur in eigen land volgde, na doelbewuste voorbereiding, de expansie naar buiten.
Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en het Memelgebied waren slechts een voorspel. De Tweede Wereldoorlog breidde Hitlers machtsgebied uit over heel Europa. Het ene land na het andere werd door de Duitse oorlogsmachine onder de voet gelopen. Overal arresteerde de Duitse bezettingsmacht democratische politici, onderdrukte zij de bevolking, deporteerde zij miljoenen voor dwangarbeid naar Duitsland en plunderde zij de landen meedogenloos ten dienste van de oorlogseconomie.
Bijzonder bruut was de behandeling van de Slavische landen, waarvan de volken door de nazi ’s — naast de Joden — als ‘minderwaardig ras ’ werden beschouwd, dat moest worden gedecimeerd en tot arbeids-slaven gemaakt, als volledige uitroeiing voorlopig nog onuitvoerbaar leek.
Honderdduizenden mensen van allerlei nationaliteiten, miljoenen Poolse, Servische en Sovjetburgers, werden in de loop van deze oorlog door de nazi ’s gedood. Eén bevolkingsgroep echter werd vrijwel uitgeroeid: de Joden.
Op 1 september 1939 drong Hitlers leger Polen binnen. Meer dan twee miljoen Joodse mensen vielen in Duitse handen. De helpers van Heydrich, die in Duitsland de Kristallnacht hadden georganiseerd, volgden de strijdende troepen op de voet om overal pogroms aan te stichten.
De veroveraars amuseerden zich ermee vrome oude Joden de baarden af te knippen, hen ‘oefeningen ’ te laten doen, hen te beroven en in elkaar te slaan. Zij doorzochten Joodse winkels en woningen ‘op wapens ’, sloegen de inboedel kort en klein en staken in hun zak wat hun beviel. Alleen in het door de Sovjet-Unie bezette deel van Polen, aan gene zijde van de Curzon-linie, waren de Joden voorlopig nog beschermd.
Na de terreur en de plunderingen van de eerste weken begon de Duitse burgerlijke administratie de wettelijke oorlog tegen de Joodse bevolking met oproepen, verordeningen en bekendmakingen. Markering van alle Joden vanaf tienjarige leeftijd, markering van winkels, aangifte van bezit, invoering van dwangarbeid, verblijfsverbod voor bepaalde stadswijken, parken en openbare plaatsen en uitsluiting van het openbaar vervoer waren slechts de eerste in een lange reeks maatregelen die allemaal hetzelfde doel hadden: mensen beroven van hun economische bestaansgrond, hen bestelen en rechteloos maken.
De op Duits bevel gevormde Joodse Raden, van wie de vervolgden aanvankelijk nog bescherming tegen willekeur en vertegenwoordiging van hun belangen verwachtten, werden in de loop van de tijd steeds meer tot uitvoeringsorganen van de bezettingsmacht vernederd en speelden een dubbelzinnige, soms noodlottige rol.
In de grote steden werden de Joden gedwongen in bepaalde, afgegrensde woongebieden samengedreven. Zo ontstond het getto: een gevangenis voor honderdduizenden, waaruit al spoedig geen terugkeer meer mogelijk was.
In oktober 1940 beval gouverneur-generaal Frank de oprichting van getto ’s in het hele land. In de dorpen en kleine plaatsen van de provincie werden de Joden ‘uitgesiedeld ’. Van huis en hof verdreven, vaak niet meer dan met een paar bundels, trokken zij onder bewaking in lange voetmarsen naar het getto van de dichtstbijzijnde stad. Maar al snel werden de kleine getto ’s weer opgeheven en hun bewoners in de grote steden geconcentreerd. De tocht begon opnieuw.
Heydrich schrijft een spoedbrief
Aan de chefs van alle Einsatzgruppen van de Sicherheitspolizei — Berlijn, 21 september 1939
Betreft: Jodenvraag in het bezette gebied.
Ik verwijs naar de vandaag in Berlijn gehouden bespreking en wijs er nogmaals op dat de geplande totale maatregelen (dus het einddoel) strikt geheim moeten worden gehouden.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen: 1. het einddoel (dat langere termijnen vergt) en 2. de fasen van de verwezenlijking van het einddoel (die op korte termijn kunnen worden uitgevoerd).
De geplande maatregelen vereisen de grondigste voorbereiding, zowel technisch als economisch.
I Als eerste maatregel ter voorbereiding van het einddoel geldt voorlopig de concentratie van de Joden van het platteland in de grotere steden. Die moet met spoed worden uitgevoerd. Als basisregel geldt dat Joodse gemeenten met minder dan 500 leden moeten worden opgeheven en aan de dichtstbijzijnde concentratiestad moeten worden toegewezen.
II — Joodse Oudstenraden
1. In iedere Joodse gemeente moet een Joodse Oudstenraad worden ingesteld.
2. Deze raad moet volledig verantwoordelijk worden gehouden voor de nauwkeurige en tijdige uitvoering van alle reeds gegeven of nog te geven bevelen.
3. In geval van sabotage van zulke bevelen moeten de scherpste maatregelen tegen de raden worden aangekondigd.
4. De Joodse Raden moeten een voorlopige telling van de Joden uitvoeren en de uitkomst zo snel mogelijk melden.
5. Aan de Oudstenraden moeten data en termijnen van vertrek, de vertrekmogelijkheden en uiteindelijk ook de vertrekwegen worden bekendgemaakt. Zij moeten dan persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld voor het vertrek van de Joden van het platteland. Als rechtvaardiging voor de concentratie van de Joden in de steden moet gelden dat Joden in belangrijke mate betrokken zouden zijn geweest bij vrijschuttersaanvallen en plunderingen.
III Alle noodzakelijke maatregelen moeten in principe steeds in nauw overleg en samenwerking met de Duitse burgerlijke bestuursinstanties en de plaatselijk bevoegde militaire autoriteiten worden genomen.
V Om de gestelde doelen te bereiken verwacht ik de volledige inzet van alle krachten van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst. De aangrenzende chefs van de Einsatzgroepen moeten onmiddellijk met elkaar contact opnemen zodat alle in aanmerking komende gebieden volledig worden bestreken.
VI Het OKH, de gevolmachtigde voor het Vierjarenplan, het Rijksministerie van Binnenlandse Zaken, het ministerie van Voedselvoorziening en Economie en de chefs van het burgerlijk bestuur van het bezette gebied hebben afschrift van dit bevel ontvangen.
Besluit van de districtschef van Krakau
Verordening — Markering van de Joden in het district Krakau
Ik bepaal dat alle Joden ouder dan 12 jaar in het district Krakau, met ingang van 1 december 1939, buiten hun eigen woning een zichtbaar herkenningsteken moeten dragen. Ook Joden die zich slechts tijdelijk in het district bevinden, vallen gedurende hun verblijf onder dit bevel.
Als Jood in de zin van deze verordening geldt: 1. wie behoort of heeft behoord tot de mozaïsche geloofsgemeenschap; 2. ieder van wie vader of moeder tot de mozaïsche geloofsgemeenschap behoort of heeft behoord.
Als kenteken moet aan de rechter bovenarm van kleding en overkleding een armband worden gedragen die op witte achtergrond aan de buitenzijde een blauwe Zionster toont. De witte band moet ten minste 10 cm breed zijn; de tegenover elkaar liggende punten van de ster moeten ten minste 8 cm uit elkaar staan. De balken van de ster moeten 1 cm breed zijn.
Joden die aan deze verplichting niet voldoen, kunnen zware straf verwachten. Voor de uitvoering van deze verordening, in het bijzonder de verstrekking van de kentekens, zijn de Oudstenraden verantwoordelijk.
Krakau, 18 november 1939 — getekend Wächter, gouverneur
Een kind houdt dagboek
21 maart 1940. Vroeg in de ochtend liep ik door het dorp waarin wij wonen. Van veraf zag ik een bekendmaking aan de muur van de winkel. Snel ging ik erheen om haar te lezen. Het nieuwe bericht was dat Joden helemaal niet meer op wagens mochten rijden (met de trein was dat al lang verboden).
4 april 1940. Vandaag stond ik vroeger op, omdat ik naar Kielce wilde gaan. Na het ontbijt verliet ik het huis. Ik voelde me bedroefd zo alleen over de veldwegen te lopen. Na een reis van vier uur kwam ik in Kielce aan. Toen ik bij mijn oom binnenkwam, zag ik dat iedereen verslagen zat, en ik hoorde dat men de Joden uit verschillende straten uitzet. Ook mij overviel droefheid.
5 april 1940. De hele nacht kon ik niet slapen; vreemde gedachten gingen door mijn hoofd. Na het ontbijt ging ik naar huis terug.
9 juni 1940. Vandaag waren er oefeningen van het Duitse leger. Het hele leger had zich over de velden verspreid, ze stelden machinegeweren op en schoten op elkaar.
18 juni 1940. De politie deed bij ons huiszoeking naar militaire spullen. De agenten vroegen mij waar die spullen waren, en ik zei steeds: die zijn er niet, basta. Dus vonden zij niets en gingen weer weg.
5 augustus 1940. Gisteren was de dorpswachter bij het gemeentekantoor geweest met de mededeling dat alle Joden zich met hun families in de gemeente moesten melden voor registratie. Om zeven uur 's morgens waren wij daar al. We bleven er enkele uren, want de ouderen kozen een Joodse Oudstenraad. Daarna gingen wij naar huis.
12 augustus 1940. De hele oorlog leer ik alleen thuis. Als ik eraan denk hoe ik vroeger naar school ging, zou ik kunnen huilen. Maar nu moet ik hier zitten, ik mag nergens heen. En wanneer ik bedenk wat voor oorlogen er in de wereld woeden, hoeveel mensen dagelijks door kogels, gas, bommen, epidemieën en andere vijanden van de mens omkomen, dan vergaat mij de lust tot alles.
1 september 1940. Vandaag is het de eerste verjaardag van het uitbreken van de oorlog. Ik overdenk wat wij in deze korte tijd allemaal al hebben meegemaakt, hoeveel leed wij al hebben doorstaan ...
10 juli 1941. Er is een zeer zware tijd aangebroken. Elk uur overleven is moeilijk. Altijd hadden wij een kleine voedselvoorraad, tenminste voor een maand. Maar nu is het al moeilijk voedsel vooréén dag te kopen. Er gaat geen dag voorbij zonder dat iemand komt bedelen; iedereen die komt wil maaréén ding: iets te eten, en juist dat is nu het moeilijkst.
8 januari 1942. Vanmiddag hoorde ik dat er in Bodzentyn onder de Joden weer twee slachtoffers zijn. De ene was meteen dood, de andere gewond. De gewonde hebben ze gearresteerd en naar de wachtpost in Bieliny gebracht; daar zullen ze hem doodslaan.
11 januari 1942. Sinds de vroege ochtend is er sneeuwstorm en strenge vorst, vandaag tot twintig graden Celsius onder nul. Terwijl ik keek hoe de wind over de velden joeg, merkte ik dat de dorpswachter een bekendmaking ophing. Meteen ging ik kijken wat er nieuws op stond. Er stond niets nieuws op; de wachter zei alleen dat hij bij de dorpsoudste berichten had gebracht dat alle Joden uit alle dorpen uitgezet moesten worden. Toen ik dat thuis vertelde, waren wij allemaal diep neerslachtig. Nu, in zo ’n strenge winter, zullen ze ons verjagen — waarheen? Nu zijn wij aan de beurt om zware kwellingen te doorstaan. De goede God weet hoe lang nog.
Aantekeningen van de kleine Dawid Rubinowicz, die op veertienjarige leeftijd in Treblinka werd vergast.
Daarmee trekken wij nationaalsocialisten bewust een streep onder de buitenlandse politiek van onze vooroorlogse tijd. Wij knopen aan waar men zes eeuwen geleden ophield. Wij stoppen de eeuwige Duitse trek naar het zuiden en westen van Europa en richten de blik op het land in het oosten.
Adolf Hitler
Włocławek was de eerste stad van Europa waar de markering van de Joodse bevolking met de middeleeuwse gele vlek werd bevolen. Aanvankelijk hielpen de mensen zich met grote stoffen driehoeken die zij op de voor- en achterkant van hun kleding naaiden. Een maand later voerde gouverneur-generaal Hans Frank in het hele land witte armbanden met een blauwe Davidsster in, die al snel per meter werden gedrukt.
Men vernederde en kwelde de weerlozen, en poseerde ter herinnering voor het fotoalbum. ‘Funker Griese onderwijst Lubliner Joden met opgeheven stok ’, schreef een soldaat onder deze foto. Wat volgde was erger: arrestaties, verhoren, gijzelaarsexecuties.
De Sicherheitspolizei, die in alle bezette steden van het oosten pogroms in scène zette, hield zich aanvankelijk zelf op de achtergrond. Bij het bloedbad in Kowno (Litouwen) liet zij honderden Joden door vrijgelaten tuchthuisgevangenen met ijzeren staven doodslaan. ‘Hervestiging ’ heette de volgende fase: Joden werden uit hun woningen gegooid, op straat gezet en naar de getto ’s afgevoerd.
In het stadsgebied van Krakau wordt met onmiddellijke ingang een gesloten Joodse woonwijk gevormd, waarin de in de stad wonende Joden verplicht zijn hun woning te nemen. Buiten de Joodse woonwijk is het alle Joden zonder uitzondering verboden te wonen.
De chef van het district Krakau, dr. Wächter
Op grond van de verordening inzake verblijfsbeperkingen in het Generalgouvernement van 13 september 1940 wordt in de stad Warschau een Joodse woonwijk gevormd, waarin de in de stad Warschau wonende of zich daar nog vestigende Joden verplicht zijn hun woning te nemen.
De chef van het district Warschau, dr. Fischer
Op 11 maart 1942 vertrekt een transport met 2000 Joden uit Mielec met als bestemmingen Parczew en Miedzyrzec. Op beide bestemmingen worden 1000 Joden uitgeladen. Aankomst in Parczew op 12 maart om 5.53 uur, verblijf daar tot 8.22 uur. Aankomst in Miedzyrzec op 12 maart om 12 uur 's middags. Het volgende transport vertrekt vermoedelijk vrijdag; de dienstregeling wordt tijdig bekendgemaakt.
Majoor Ragger, Krakau, aan de gouverneur van het district Lublin, 10 maart 1942
Op zondag 15 maart 1942 vertrekt een transport met 2000 Joden uit Mielec naar de bestemmingen Hrubieszow en Susiec. Het transport splitst zich in Zamość . Aankomst van het deeltransport naar Hrubieszow met 1500 Joden op maandag 16 maart 1942 om 13.05 uur. Aankomst van het deeltransport naar Susiec met 500 Joden op maandag 16 maart 1942 om 13.12 uur. Hiermee is de actie van de Jodenuitzetting uit Mielec beëindigd.
Majoor Ragger, Krakau, aan de gouverneur van het district Lublin, 13 maart 1942
‘Hervestiging ’ was een zich voortdurend herhalend proces. Toen het laatste getto was opgericht, werden de eerste alweer opgeheven en in de volgende, grotere districtsstad samengevoegd, tot uiteindelijk de laatste reis begon. Terwijl de getto ’s van de grote steden nog enige tijd bleven bestaan, werden in de provincie al hele Joodse gemeenschappen naar de vernietigingskampen afgevoerd.
De Joden uit de talloze kleine stadjes werden samengedreven, het platteland werd gezuiverd van de daar afzonderlijk wonende Joodse families. Het was een ijzige winteravond aan het einde van het eerste oorlogsjaar, toen een eindeloze colonne Joodse inwoners van een provinciestadje werd voortgedreven naar het ongeveer dertig kilometer oostelijk gelegen Brzeziny. Op de boerenwagens die met de colonne meereden, bevonden zich behalve ouderen, kinderen en zieken ook de armzalige bagage van de verdrevenen. Zwijgend trok het volk door de bitterkoude nacht — een beeld van lijden en dulden.
Ook inŁódź zelf trokken de Joden een week lang, slechts met handbagage beladen, uit alle hoeken naar het kerngetto, dat als woonplaats was aangewezen voor een kwart miljoen mensen. Het was opnieuw een kwade winteravond toen speciale afdelingen de Joodse huizen doorzochten op achterblijvers. Wie zijn huis niet onmiddellijk verliet, werd neergeschoten. Het waren er velen: daarvan getuigden de schoten die onafgebroken, als in een gevecht, te horen waren. In die eerste oorlogsmaanden mocht niemand 's nachts zijn woning verlaten. Zo vernam men pas de volgende ochtend welke strijd er die nacht had gewoed.
Pastor Schedler, Würzburg, vroegerŁódź
De grote muur ontstond met Joods geld. De Joodse Raad moest de materiaal- en bouwkosten betalen aan een Duits bouwbedrijf. Dat bedrijf bezat de concessie voor de bouw van de gettomuur, die twee stenen dik werd uitgevoerd. In het metselwerk bracht men scherpe glasscherven aan om het overklimmen te verhinderen.
Verslag van I. Turkow
In de getto ’s
Getto ’s zijn doorgangsstations op de weg naar de dood; voor velen zijn ze de laatste halte. Aanvankelijk gaan de mensen nog naar hun gewone werkplek in het ‘Arische ’ deel van de stad en keren ’s avonds naar het getto terug. Op een dag wordt het getto met prikkeldraad afgesloten en worden de poorten bewaakt door gewapende posten.
De afsluiting van de buitenwereld brengt een economische catastrofe. De kleine bedrijven binnen de omheining kunnen slechts aan weinigen werk verschaffen. Honderdduizenden zitten gevangen in een reusachtige kooi, prijsgegeven aan de zekere hongerdood die Hitler over hen heeft uitgesproken. En steeds nieuwe mensenmassa ’s worden in de al overvolle getto ’s geperst.
Inbeslagnames, pesterijen, afranselingen, plunderingen, wilde schietpartijen en openbare terechtstellingen houden ook hier nooit op. Maaréén plaag is zo verschrikkelijk dat alle andere daarbij verbleken: de honger. Honger is het klaaglied van de bedelaars die met hun dakloze familieleden op straat zitten; honger is de schreeuw van moeders van wie de pasgeborenen wegsterven. Mensen slaan elkaar tot bloedens toe om een rauwe aardappel; kinderen riskeren hun leven voor een handvol gesmokkelde rapen, waar al een hele familie op wacht.
In Warschau bedroeg de maandelijkse rantsoenering uiteindelijkéén kilogram brood, 250 gram suiker, 100 gram jam en 50 gram vet. Vaak werd bedorven voedsel geleverd dat door de Wehrmacht was afgekeurd. Met vlijt en vindingrijkheid probeerde men de nood te lenigen. In primitieve werkplaatsen werden door moeizame handenarbeid ruilmiddelen voor de ‘Arische ’ stadswijk geproduceerd. Uit een stuk hout ontstonden bruikbare keukengerei; uit oude lakens maakte men bont bedrukte hoofddoeken. Hele wagenladingen voedsel werden met hulp van wachters, die de hongerigen enorme steekpenningen afpersten, het getto binnengesmokkeld.
Toch stegen de sterftecijfers onophoudelijk. In de krottenwijken brak vlektyfus uit. Steeds vaker verschenen de lijkwagens. Maar het bevel van de Duitse autoriteiten dat doden niet langer dan vijftien minuten op straat mochten blijven liggen, kon niet worden nageleefd. Mensen die van uitputting stierven, gingen op de rand van de gootsteen liggen, en de nog levenden liepen voorbij zonder om te kijken. Armoede, honger en wanhoop vraten verder, tot er uiteindelijk niets meer overbleef.
Wie hier niet de dood vond, wachtte een nog erger einde. In juli 1942 begon in alle getto ’s het transport naar de vernietigingskampen. Op uitroeiing door honger volgde uitroeiing door gas. De Joodse Raden werden gedwongen de deportatielijsten op te stellen. Alleen al uit Warschau werden in een kwart jaar 400.000 mensen naar Bełżec en Treblinka gedeporteerd. Massale slaapzalen, ziekenhuizen en kinderhuizen werden als eerste ontruimd. Daarna waren allen aan de beurt die niet in oorlogsbelangrijke bedrijven werkten.
Aanvankelijk meldden sommige daklozen zich vrijwillig, om het halve brood en het blikje jam te krijgen dat ieder voor de reis beloofd werd. Zo groot was de ellende dat zij zelfs het concentratiekamp niet meer vreesden, omdat zij zich daar tenminste een brits voor de nacht en een kom eten voorstelden. Later, toen de eerste geruchten over de gaskamers het getto bereikten, moest de bruutste geweldpleging worden toegepast om de doodsbange mensen de wagons in te drijven. Dagenlang leek de stad op een jungle waarin een wilde jacht op mensen werd gehouden. De straten galmden van het vloeken van de politie en het geschreeuw van de slachtoffers. Onder bloedige slagen werden degenen die zich met handen en voeten verzetten naar de ‘Umschlagplatz ’ gesleept. Met honderden tegelijk in veewagons gepropt, stierven velen al onderweg. Wanneer de toestroom in Treblinka te groot werd, liet men de verzegelde treinen dagenlang op open spoor staan tot alle inzittenden verstikt waren.
In de zomer van 1943 werden, met uitzondering van ‘Litzmannstadt ’ ( Łódź ), de getto ’s definitief opgeheven. Slechts enkele Joodse gevangenencompagnieën in dwangarbeidskampen bleven over, maar ook zij gingen vroeg of laat de weg naar de executiekuilen en gaskamers.
‘Vorming van een getto ’ — Łódź
In de grote stadŁódź wonen naar mijn oordeel momenteel ongeveer 320.000 Joden. Hun onmiddellijke evacuatie is niet mogelijk. Grondig onderzoek van alle betrokken diensten heeft uitgewezen dat een samenvoeging van alle Joden in een gesloten getto mogelijk is.
Na afronding van deze voorbereidingen en na het beschikbaar stellen van voldoende bewakingskrachten moet op een door mij te bepalen dag plotseling de oprichting van het getto plaatsvinden, dat wil zeggen: op een bepaald uur wordt de vastgestelde grenslijn van het getto door de daarvoor bestemde bewakingstroepen bezet en worden de straten met versperringen en andere afsluitmiddelen afgesloten. Tegelijk wordt begonnen met het dichtmetselen of anderszins afsluiten van gevels door Joodse arbeidskrachten die uit het getto moeten worden gehaald. In het getto zelf wordt onmiddellijk een Joodse zelfadministratie ingesteld.
Gelijktijdig, respectievelijk kort na de vorming van het getto, moeten de buiten het getto wonende, arbeidsongeschikte Joden in het getto worden ondergebracht.
Geheime rondzendbrief van de regeringspresident van Kalisch, Uebelhör
‘Het uiterlijke beeld van de Joodse woonwijk ’ — Warschau
De Joodse woonwijk heeft een oppervlakte van ongeveer 403 hectare. In dit gebied wonen volgens de opgaven van de Joodse Raad, die een volkstelling zou hebben uitgevoerd, ongeveer 410.000 Joden; volgens onze waarnemingen en schattingen, die van verschillende kanten zijn verricht, ongeveer 470.000 tot 590.000.
Uitgaande van de statistische gegevens van de Joodse Raad en met aftrek van onbebouwde grond en begraafplaatsen wonen er 1.108 mensen per hectare bebouwde oppervlakte, dus 110.800 personen per vierkante kilometer. De bevolkingsdichtheid van de stad Warschau bedraagt 14.400 personen per vierkante kilometer totale oppervlakte en 38.000 per vierkante kilometer bebouwde en bewoonbare oppervlakte.
Daarbij moet worden opgemerkt dat dit aantal nog wordt vergroot door een opnieuw noodzakelijke hervestigingsactie van 72.000 Joden uit het westelijke deel van het district. Tevens moet plaats worden gemaakt voor 62.000 geëvacueerde Polen.
In de Joodse woonwijk bevinden zich ongeveer 27.000 woningen met een gemiddelde van tweeënhalve kamer. Dat komt neer op 15,1 personen per woning en 6 à 7 personen per kamer.
De Joodse woonwijk is van de rest van de stad afgescheiden door gebruik te maken van brand- en scheidingsmuren en door het dichtmetselen van straten, ramen, deuren en openingen. De muren zijn 3 meter hoog en worden verhoogd met een extra meter prikkeldraad. Gemotoriseerde en bereden politiepatrouilles zorgen bovendien voor bewaking.
Voordracht van Waldemar Schön, hoofd van de hervestigingsdienst bij de districtsgouverneur van Warschau
De beschreven verhoging van de voedseltoevoer kon de toename van de sterfgevallen, die berustte op de algemene verarming van de Joden sinds het uitbreken van de oorlog, niet verhinderen. De volgende cijfers geven een indringend beeld van de sterfte:
Januari ’41: 898
Februari ’41: 1023
Maart ’41: 1608
April ’41: 2061
Mei ’41: 3821
Juni ’41: 4290
Juli ’41: 5550
Augustus ’41: 5560
Een tweede reden voor deze stijging van het sterftecijfer is de ontwikkeling van vlektyfus in de Joodse woonwijk. Ondanks energieke inspanningen om de ziekte te bestrijden, bleef de curve steeds verder stijgen. Sinds juli van dat jaar bleven de wekelijkse meldingen van nieuwe tyfusgevallen op ongeveer hetzelfde hoge niveau: tussen de 320 en 450 nieuwe gevallen. Het laatste maandcijfer (augustus) lag met 1.788 personen slechts weinig hoger dan de 1.736 van de voorafgaande maand.
Verslag van Heinz Auerswald, commissaris van de Joodse woonwijk in Warschau
De stad van de dood
De straten zijn zo overvol dat men zich slechts moeizaam kan verplaatsen. Iedereen is haveloos, in vodden gekleed. Vaak bezit men niet eens meer een hemd. Overal is lawaai en geschreeuw. Dunne, jammerlijke kinderstemmen overstemmen het rumoer: ‘Ik verkoop beugels, sigaretten, snoep! ’ Die kinderstemmen zal wel niemand ooit vergeten.
Op de trottoirs hopen vuil en uitwerpselen zich op tot hopen en wallen. Vaak rukt een kind een voorbijganger een pakket uit de handen en begint al wegrennend, door honger opgejaagd, de eetbare inhoud te verslinden. Natuurlijk zet de menigte de achtervolging in. Zelfs als men het kind grijpt en slaat, laat het kleine wezen zich niet van zijn maaltijd afhouden.
Ik zie ontzaglijk veel mannen, vrouwen en kinderen die door de ordedienst worden opgejaagd. Als ik dichterbij kom en vraag wat er aan de hand is, hoor ik dat het vluchtelingen zijn die hun laatste bezittingen — bundels, kussens of slechts een strozak — meeslepen. Men heeft hen binnen vijf minuten hun woningen uitgejaagd en niet toegestaan iets mee te nemen. Zij komen uit de kleinere plaatsen in de omgeving. Ouden, kreupelen, zieken en gebrekkigen werden ter plekke geliquideerd. Wie het tempo niet kon bijhouden en achterbleef, werd onderweg afgemaakt. Bleef een zoon bij zijn gedode vader staan, dan werd hij eveneens gedood. De tragische uitdrukking op de gezichten van deze vluchtelingen schommelt tussen doodsangst en berusting.
Vaak ligt er op de stoep iets onder kranten bedekt. Vreselijk uitgemergelde ledematen of ziekelijk opgezwollen benen steken er meestal onderuit. Het zijn de kadavers van aan vlektyfus gestorven mensen, eenvoudig door medebewoners naar buiten gedragen om begrafeniskosten te sparen. Of het zijn daklozen die op straat ineenzakten.
Bij iedere opening in de muur staat een wacht. Daar horen enkele Duitsers bij die verachtelijk op de menigte neerkijken, Poolse politie en de Joodse ordedienst, die een klap krijgt wanneer hij het opgedragen bevel niet naar behoren uitvoert.
Binnen het getto bevinden zich altijd ontelbare kinderen. Aan de ‘Arische ’ kant staan nieuwsgierigen te staren naar het ellendige schouwspel van de haveloze menigte. Deze kinderhorden in het getto zijn de eigenlijke kostwinners ervan. Zodra een Duitseréén seconde niet oplet, lopen zij behendig naar de ‘Arische ’ kant. Het daar gekochte brood, de aardappelen en andere etenswaren worden onder vodden verborgen, waarna het erom gaat op dezelfde manier weer terug te glippen.
Ook de muren worden door kinderen beklommen, maar dat moet razendsnel gebeuren, opdat de wachters zich niet juist op dat moment omdraaien. Zij schieten onmiddellijk zodra zij het ontdekken. Dagelijks — het is nauwelijks te bevatten — worden beschoten kinderen naar het ziekenhuis gebracht.
Alle Joden moeten armbanden met de Davidsster dragen; alleen de kinderen zijn daarvan vrijgesteld. Daardoor wordt het voedselsmokkelen voor hen vergemakkelijkt. Vaak gooien kinderen vanaf de tram die aan de ‘Arische ’ straatzijde langs het getto rijdt, op het moment dat de tram het gettopoortje passeert, pakketjes in het getto en springen er dan zelf achteraan.
Duizenden haveloze bedelaars doen denken aan het hongerende India. Afgrijselijke taferelen ziet men dagelijks. Een half uitgehongerde moeder probeert haar kind te voeden aan uitgedroogde borsten. Naast haar ligt misschien al een ouder dood kind. Men ziet stervenden met uitgespreide armen en gestrekte benen midden op de straat liggen. De benen zijn gezwollen, vaak bevroren, en de gezichten door pijn vertrokken. Zoals ik hoor, amputeert men bij bedelkinderen dagelijks bevroren vingers en tenen, handen en voeten.
Eens vroeg ik een klein meisje: ‘Wat zou je willen zijn? ’ Zij antwoordde: ‘Een hond, want de wachters houden van honden. ’
Joden die in ‘Arische ’ wijken werken, krijgen doorgangsbewijzen om hun werkplek te bereiken. De wacht moet met de hoed in de hand in looppas worden gepasseerd. Het gebeurt dat de posten een groep tegenhouden en bevelen zich uit te kleden en door de modder of vuiligheid te rollen. Ook kniebuigingen laten zij graag maken. Soms moet men zelfs dansen. De wachters staan er dan bij en lachen zich bijna dood.
Ludwik Hirszfeld
Betreft: honger
Betreft: voedselsituatie in het getto
De bewering dat de bevolking van het getto beter wordt gevoed dan verantwoord is, moet als onjuist en dwaas worden bestempeld. In 1940 werd voor ongeveer 200.000 Joden voedsel verstrekt op het niveau van gevangenisrantsoenen. De voeding ligt al meer dan een jaar onder de op zich al toegestane normen voor strafgevangenen. Niemand kan volhouden dat de bewoners van het getto met de hun toegewezen levensmiddelen op de duur arbeidsgeschikt blijven. Juist daarom zakt de gezondheidstoestand van de Joden dagelijks verder weg, omdat de op papier vastgestelde contingenten in de praktijk eenvoudig niet haalbaar zijn, gezien de marktsituatie. Bovendien is alles wat aan voedsel het getto binnenkomt in de regel van mindere kwaliteit. Partijen in noodtoestand — groente, vet, meelproducten enzovoort — worden steevast naar het getto doorgeschoven, maar wel volledig op het contingent aangerekend. Het duidelijkste bewijs voor de voedingstoestand leveren de snel stijgende sterftecijfers.
Afdelingshoofd Biebow, gettobestuur, aan de Gestapo Litzmannstadt, 4 maart 1942
Betreft: voeding van de Joden
Zoals ondergetekende reeds mondeling heeft verklaard, is de voeding van de Joden in de huidige vorm niet meer te verantwoorden, omdat anders een daling van de prestaties zal intreden die schadelijk is voor de Wehrmacht. In de werkplaatsen en fabrieken waar wegens gebrek aan vakmensen een arbeidstijd van twaalf uur is ingevoerd (dag- en nachtploegen), zakken arbeiders, met name degenen die staand werk verrichten, reeds op hun werkplek in elkaar.
Bij de laatste evacuatie in september 1942 werden alle zieke en gebrekkige Joden uitgezet. Toch bedraagt de sterfte sinds dat tijdstip tot 31 maart 1943 4.658.
Afdelingshoofd Biebow, gettobestuur, aan de burgemeester van Litzmannstadt, 19 april 1943
Speciaal bevel inzake het gebruik van vuurwapens bij de bewaking van het getto Litzmannstadt
Volgens punt 9 van de speciale aanwijzing van de politiepresident inzake het verkeer met het getto moet bij iedere poging van een Joodse gettobewoner om het getto op welke wijze dan ook ongeoorloofd te verlaten, onmiddellijk van het vuurwapen gebruik worden gemaakt. Met instemming van de politiepresident wordt aanvullend het volgende bevolen:
1. Het verwonden van niet-betrokkenen in drukke straten moet bij gebruik van vuurwapens worden vermeden.
2. Iedere persoon die zich van buitenaf slechts op verdachte wijze het hek van het getto nadert, moet met ‘Halt! ’ worden aangeroepen. Pas wanneer die persoon op de oproep niet blijft staan of probeert te vluchten, wordt geschoten.
3. Iedere Jood die probeert onder het hek door te kruipen, eroverheen te klimmen of op andere wijze het getto ongeoorloofd wil verlaten, wordt zonder waarschuwing doodgeschoten.
4. Iedere Jood die smokkelwaar of geld over het hek gooit of over het hek geworpen voorwerpen in ontvangst neemt, wordt, wanneer hij daarbij op heterdaad wordt betrapt, zonder waarschuwing doodgeschoten.
5. Iedere Jood die zich na de avondklok (21.00 uur) direct aan het hek ophoudt, wordt zonder waarschuwing doodgeschoten.
6. Iedere persoon die van buitenaf op heterdaad wordt betrapt bij het binnensmokkelen van goederen, geld of andere zaken in het getto, of bij het in ontvangst nemen daarvan, wordt zonder waarschuwing doodgeschoten.
7. Iedere persoon die op heterdaad wordt betrapt bij een poging van buitenaf onder het hek door te kruipen of eroverheen te klimmen, wordt zonder waarschuwing doodgeschoten.
Speciaal bevel van het commando van de Schutzpolizei in het getto Litzmannstadt, 11 april 1941
Betreft: roof
De Reichsführer-SS heeft bevolen dat de bij Joden gevonden en in beslag genomen bontmantels, pelzen en vellen, alsook de nog bij de resterende Joden, vooral in de getto ’s van het Generalgouvernement, onmiddellijk in beslag te nemen bontgoederen van welke aard dan ook, moeten worden verzameld. Het aantal moet mij voortdurend per telegram worden gemeld, voor het eerst op 29 december 1941 vóór 18.00 uur. De Reichsführer heeft bevolen dat zijn bevel versneld moet worden uitgevoerd. Aan de Joodse Raden moet worden meegedeeld dat zowel zijzelf als de Joden die na afloop van een gestelde termijn nog in het bezit van een bontjas of vacht worden aangetroffen, zullen worden doodgeschoten.
De bevelhebber van de SIPO en de SD, Schoengarth, aan de SS- en politiebevelhebbers van de districten, 24 december 1941
Betreft: Jodenactie in Piaski
Als bijlage zend ik twee overzichten van goederen die uit het getto in Piaski zijn veiliggesteld. Terwijl de door de Hessische Joden teruggenomen zaken deels nog als nieuw kunnen gelden, betreft het bij de overige textielgoederen oudere en vuile waar voor de lompenmachine. Het ondergoed van de Hessische Joden is in koffers verpakt. Verder is tot vandaag een bedrag van 8.300 zloty (deels in Rijksmark), 85 goudroebels en 5 trouwringen veiliggesteld. Omdat de opslagplaatsen elders dringend nodig zijn, verzoek ik om spoedige afhaling.
Veiligheidspolitie, transferplaats Piaski, aan de commandant van de SIPO in Lublin, 11 april 1942
Betreft: Joods werkkamp Pabianice
De overmatige aanvoer van textiel, schoenen enzovoort uit het uitzettingskamp Warthbrücken en uit de ontruimde getto ’s maakt extra opslagruimte noodzakelijk. Door de Geheime Staatspolizei zijn mij daarvoor de Poolse kerken in Alexanderhof en Erzhausen ter beschikking gesteld.
Het gettobestuur aan de politiepresident van Litzmannstadt, 8 juni 1942
Betreft: afgifte van textielgoederen aan de NSV door het gettobestuur
Een groot deel van de kledingstukken is sterk bevlekt en deels met vuil en bloed doordrenkt. Omdat de colli door de Kreisamtsleitung Litzmannstadt-Land ongeopend naar verschillende andere Kreisamtsleitungen in de gouw werden doorgestuurd, bleek pas later bij het openen dat bijvoorbeeld in een zending van 200 rokken naar Posen-Stadt bij 51 rokken de Jodensterren nog niet waren verwijderd. Omdat in de districtsmagazijnen grotendeels Poolse magazijnarbeiders moeten worden ingezet, bestaat het gevaar dat de voor het Winterhilfswerk bestemde terugkeerders de herkomst van de goederen vernemen en het Winterhilfswerk daardoor in diskrediet komt.
De gouwgemachtigde voor het WHW, Posen, aan het gettobestuur Litzmannstadt, 9 januari 1943
Betreft: verkoop van gebruiksgoederen door het gettobestuur
Er moet een overzicht worden opgesteld van alle uit de uitzettingsacties afkomstige en nog aanwezige goederen en gebruiksgoederen (pelzen, ondergoed, sieraden en huishoudelijke voorwerpen enzovoort) en aan mij worden voorgelegd. Het begrip gebruiksgoederen dient daarbij in de ruimste zin te worden opgevat. Het overzicht moet bij nieuwe aanvoer voortdurend worden aangevuld.
De burgemeester van Litzmannstadt aan het gettobestuur, 20 september 1943
‘Hervestiging ’
In de nacht van 13 op 14 juli 1942 werden in Rovno alle bewoners van het getto, waar zich nog ongeveer 5.000 Joden bevonden, geliquideerd. Kort na 22.00 uur werd het getto omsingeld door een grote SS-eenheid en een ongeveer drie keer zo grote Oekraïense militie. Vervolgens werden de in en rond het getto aangebrachte elektrische booglampen ingeschakeld. SS- en militieploegen van telkens 4 tot 6 man drongen de huizen binnen of probeerden dat te doen. Waar deuren en ramen gesloten bleven en de bewoners niet reageerden op geroep en gebons, sloegen SS- en militieleden de ramen in, braken met balken en breekijzers de deuren open en drongen de woningen binnen.
Zoals de bewoners gingen en stonden, of zij nu aangekleed waren of in bed lagen, zo werden zij de straat op gedreven. Omdat de Joden in de meeste gevallen weigerden en zich verzetten om de woningen te verlaten, gebruikten SS- en militieleden geweld. Met zweepslagen, schoppen en geweerkolven bereikten zij uiteindelijk dat de huizen ontruimd werden. Het uitdrijven uit de huizen gebeurde met zulk een haast dat kleine kinderen die in bed lagen in sommige gevallen werden achtergelaten. Op straat jammerden en schreeuwden vrouwen om hun kinderen, kinderen om hun ouders. Dat weerhield de SS er niet van de mensen nu in looppas, onder slagen, door de straten op te jagen tot zij de gereedstaande goederentrein bereikten. Wagon na wagon vulde zich. Onophoudelijk klonk het geschreeuw van vrouwen en kinderen, het klappen van zwepen en de geweerschoten.
Omdat individuele families of groepen zich in stevigere huizen hadden verschanst en ook met breekijzers en balken de deuren niet open te krijgen waren, blies men deze met handgranaten op. Omdat het getto dicht bij het spoor van Rovno lag, probeerden jongeren via de spoorlijnen en een kleine rivier uit het gebied van het getto te ontsnappen. Omdat dat terrein buiten het bereik van de elektrische verlichting lag, werd het met lichtkogels verlicht. De hele nacht trokken over de verlichte straten gejaagde, geslagen en gewonde mensen voort. Vrouwen droegen dode kinderen in hun armen, kinderen sleepten hun dode ouders aan armen en benen naar de trein. Steeds opnieuw klonk het door de wijk: ‘Openmaken! Openmaken! ’
Friedrich Grabe
Van de straat voor de poort klonk het bekende gestamp van de moordenaars met luid geroep en het dreunen van met ijzer beslagen laarzen. Schijnwerpers verlichtten de binnenplaats. Ik rende in de open poortdoorgang en vervolgens een trap op. Onder mij streek een schijnwerper langs de doorgang, toen langs de trap en bleef daar staan. Ik klom verder omhoog. Op de trap waren al laarzen met spijkerzolen te horen.
Ik bereikte de zolder en tastte in het donker verder. Het hoofdeinde van een gebroken bed leunde tegen de muur. Ik kroop erachter en stootte op een menselijk lichaam. Het was warm en beefde heftig. Wie het ook was, hij of zij leefde en was net zo vol angst als ikzelf. De ruimte was niet groot genoeg voor twee, maar het was te laat om terug te gaan en elders een plaats te zoeken. Zelfs als ik dat had gewild, was het niet meer mogelijk, want de ander klemde zich in krampachtige angst aan mij vast. Het was een vrouw. Zij ademde zwaar en probeerde haar hijgen te onderdrukken. Wij drukten ons tegen de muur. Zij kroop dicht tegen mij aan en boorde haar kin in mijn schouder. Haar hart sloeg wild. Zij zei geen woord. Ik hoorde alleen haar zware, half verstikte adem.
Meerdere malen kwamen agenten op de zolder en lieten hun zaklampen rondschijnen. Ineengedoken en trillend verwachtten wij ieder ogenblik dat een lichtstraal op ons zou vallen. Telkens wanneer wij de slepende stappen op de trap hoorden, verstevigde de vrouw haar greep om mij heen. Haar hart klopte nog heftiger, en wij beiden rilden krampachtig. Angst doorstroomde mij bij de gedachte dat zij ieder moment een hartaanval kon krijgen en met haar armen om mij heen kon sterven.
En weer kwamen de vervloekte laarzen dichterbij. ‘Hier is niemand. We zijn hier al geweest, ’ riep iemand hun toe. De stappen stierven weg. Doodse stilte omsloot ons. Voor dit ogenblik waren wij tenminste gered.
Bernard Goldstein
Bekendmaking nr. 428 — Verkleining van het getto
Aanvullend op de eerder afgesloten woongebieden van de Joden moeten de hieronder aangeduide gebieden met onmiddellijke ingang, uiterlijk op 24 augustus 1944 om 7 uur ’s morgens, volledig worden ontruimd. De in die gebieden wonende personen moeten hun woningen vóór dat tijdstip verlaten en mogen de ontruimde gebieden niet meer betreden.
Wie deze oproep niet opvolgt en op donderdag 24 augustus 1944 na 7 uur ’s morgens nog in deze gebieden of in de eerder ontruimde zones wordt aangetroffen, wordt met de dood gestraft.
Ter bijzondere aandacht: arbeiders die in afgesloten bedrijven zijn ondergebracht, mogen op hun werkplek blijven en mogen bij de uitoefening van hun dienstplicht de gebieden betreden. Hetzelfde geldt voor het ziekenhuis.
Geheime Staatspolizei, Litzmannstadt, 22 augustus 1944
Een brief
Op de tiende dag van de ‘actie ’ in Warschau vertrok moeder naar Treblinka. En het ging zo:
Vroeg in de ochtend — het was vrijdag — kwam moeder naar de Nalewki-straat, waar ik met Cywia en Iccak woonde. Zij bracht ons eten en verlangde naar ons. Toen zij daarna alleen naar huis ging, maakte ik mij zorgen om haar, want om zeven uur begon altijd de mensenjacht. Ik vergezelde haar tot aan de poort, deed toen nog enkele boodschappen in de stad en keerde terug. Ik was nog niet klaar met het ontbijt, of een kameraad uit de ‘Kibutz ’, Arnim, kwam al aanrennen en schreeuwde: ‘Mordechaj, moeder is gepakt! ’
Ik liep onmiddellijk naar de Leszno-straat, maar de autobus was al weg. Daarom rende ik door naar de ‘Umschlagplatz ’ en beloofde de politie geld als zij moeder zouden zoeken. Maar men vond haar niet. Waarschijnlijk meldde zij zich uit angst niet. Pas toen zij al in de autobus zat, had zij geroepen: ‘Ga en geef bericht op Dzielna-straat 34! ’
Welnu, men bracht de boodschap over, maar wat hielp dat! Ik moet eerlijk bekennen: ik heb niet alles geprobeerd om haar eruit te krijgen. Op een dag zou men haar toch hebben gepakt. Morgen, over een week, over een maand. Natuurlijk had zij allerlei arbeidsbewijzen en identificatiepapieren. Maar dat hielp niets. Op een dag moest zij gepakt worden. Ieder van ons moet — moet — er ooit aan geloven. Zo of zo. Anders kan het niet. Elke dag sleepte men duizenden moeders, vaders en kinderen weg. Waarom zou onze moeder daarop een uitzondering zijn?
Laatste bericht van M. Tennenbaum aan zijn zuster in Palestina, juli 1943
Een oproep
Achter de muur die het getto van Warschau van de buitenwereld scheidt, wachten enkele honderdduizenden verdoemden op de dood. Er is voor hen geen hoop op redding; van nergens komt hulp. De beulen gaan door de straten en schieten op iedereen die het waagt zijn huis te verlaten. Evenzo schieten zij op iedereen die aan het venster verschijnt. Onbegraven lijken liggen overal op straat. Het voorgeschreven dagelijkse aantal slachtoffers bedraagt acht- tot tienduizend. De Joodse politie is verplicht hen aan de Duitse beulen uit te leveren. Als zij hun quotum niet halen, zijn zij zelf aan de beurt. Kinderen die niet sterk genoeg zijn om te lopen, worden op karren geladen. Het opladen gebeurt zo bruut dat slechts weinigen levend bij het perron aankomen ...
Illegaal pamflet
In elke wagon worden vervloekte mensen naar binnen geperst. De vloer van de wagons is bedekt met een dikke laag kalk en chloor, overgoten met water. De wagondeuren worden verzegeld. Soms vertrekt de trein direct na het laden, soms blijft hij nog dagen op een rangeerspoor staan. Dat is voor niemand meer van belang. Van deze mensen, zo dicht opeengepakt dat de doden niet eens kunnen omvallen en schouder aan schouder met de levenden blijven staan, van deze mensen die langzaam sterven door de dampen van kalk en chloor, zonder lucht, zonder een druppel water, zonder voedsel, blijft niemand in leven.
Geconfronteerd met zulke kwellingen zou alleen een snelle dood nog verlossing kunnen brengen. Ook daarvoor hebben de moordenaars gezorgd. Alle apotheken in het getto zijn gesloten, zodat er geen gif kan worden verkocht. Wat nu in het getto van Warschau gebeurt, heeft zich de afgelopen zes maanden in honderden kleinere en grotere Poolse steden afgespeeld. Het totale aantal vermoorde Joden bedraagt nu al meer dan een miljoen en het aantal groeit met de dag. Allen gaan ten onder: rijk en arm, oude mensen en vrouwen, mannen, jongeren en kinderen. Allen wier ‘schuld ’ het is in het Joodse volk geboren te zijn, zijn door Hitler ter vernietiging veroordeeld.
Wij willen niet zijn als Pilatus. Wij kunnen ons niet actief tegen de Duitse moordenaars verzetten; wij kunnen niets doen, wij kunnen niemand redden. Maar vanuit de grond van ons met medelijden, haat en ontzetting vervulde hart protesteren wij. God vraagt dat protest van ons, de God die het doden verboden heeft. Het christelijk geweten eist het. Ieder schepsel dat zich mens noemt, heeft recht op de liefde van zijn naaste. Het bloed van de weerlozen schreeuwt ten hemel om wraak. Wie dit protest niet ondersteunt, is geen katholiek.
Illegaal vlugschrift van het ‘Front voor de Vernieuwing van Polen ’
De oprichting van het getto is natuurlijk slechts een overgangsmaatregel. Op welk tijdstip en met welke middelen het getto en daarmee de stadŁódź van Joden wordt gezuiverd, behoud ik mij voor. Het einddoel moet in ieder geval zijn dat wij deze pestbuil volledig uitbranden.
get. Uebelhör
Voor het absoluut noodzakelijke verkeer van passanten worden doorgangsbewijzen afgegeven: voor Rijksduitsers, Volksduitsers en Polen gele kaarten, voor Joden gele kaarten met een blauwe dwarsstreep. De doorgangsbewijzen gelden alleen in combinatie met een persoonsbewijs met foto.
Hoofd van het hervestigingsbureau Waldemar Schön
Betreft: gebruik van vuurwapens
Op 1 december 1941, tussen 14 en 16 uur, bevond ik mij op post 4 in de Holsteiner Straße. Om 15 uur zag ik hoe een Joodse vrouw op het hek van het getto klom, haar hoofd door het gettohek stak en probeerde rapen te stelen van een voorbijrijdende wagen. Ik maakte gebruik van mijn vuurwapen. De Joodse vrouw werd door twee schoten dodelijk getroffen. Soort vuurwapen: Karabiner 98. Verschoten munitie: twee patronen.
Wachtmeester Naumann, Litzmannstadt, 1 december 1941
Het wordt de buitenlandse ophitsende journalisten, die zo vaak over vermeende barbaarse Jodenvervolgingen in het Duitse oosten praten, dringend aanbevolen zich ter plaatse te overtuigen met welke grootmoedigheid de Duitse administratie de Joden hun eigen leven laat leiden.
Dr. Max Freiherr du Prel
Toen ik eens langs de muren liep, raakte ik verzeild in een ‘smokkelactie ’ van kinderen. Kennelijk was de eigenlijke actie al voorbij. Alleenéén ding moest nog gebeuren: het kleine Joodse jongetje aan de andere kant van de muur moest weer door zijn gat het getto binnenglippen en de laatste buit meebrengen. Zijn kleine lichaam was al half zichtbaar toen hij begon te schreeuwen. Tegelijk klonk van de ‘Arische ’ kant luid Duits geschreeuw. Ik haastte mij het kind te hulp en wilde het snel door het gat trekken. Maar de heupen van de jongen zaten ongelukkigerwijs vast in de spleet. Met beide handen en al mijn kracht probeerde ik hem er toch doorheen te sleuren. Hij bleef vreselijk schreeuwen. Aan de andere kant van de muur hoorde men politiemannen harde slagen uitdelen. Toen het mij eindelijk gelukte de jongen uit het gat te trekken, lag hij al te sterven. Zijn ruggengraat was verbrijzeld.
Verslag van W. Szpilman
De Joodse sociale zelfhulp probeerde de nood zo goed mogelijk te verlichten en deelde dagelijks aan de armsten van de armenéén warme soep uit. Voor 100.000 mensen was dit de enige maaltijd. Maar het leger van de hongerenden groeide verder en de soep werd steeds dunner, totdat zij uiteindelijk alleen nog uit hooi en heet water bestond.
Volgens onze afspraak heb ik 6 pakjes havermout van elk 0,25 kg, 25 pakjes theegebak van elk 10 stuks en twee blikken marmelade — 20 kg — aan de Joodse oudste geleverd. De levensmiddelen zijn door lange opslag en muizenvraat onbruikbaar geworden voor distributie via de bevoorradingsdiensten. Ik verzoek de koopprijs te storten aan het gerecht onder dossiernummer 34 es 109/42.
Staatliche Kriminalpolizei aan het gettobestuur Litzmannstadt, 8 januari 1943
De drang van de Joden om aan de hongerdood in het getto te ontkomen en buiten verder te leven, blijft onverminderd bestaan. In de afgelopen maand zijn ongeveer dertig Joden die het getto zonder toestemming hadden verlaten en wilden vluchten, doodgeschoten.
Verslag van de districtshoofdman in Tomaszów-Maz., voor de maand maart
Het paard als trekkracht verdween bijna volledig uit de straten van het getto. De meeste paarden waren door de Duitsers in beslag genomen; de overigen werden opgegeten. De voerman had trouwens geen voer meer voor zijn paard, waarmee hij vroeger zijn brood verdiende. Haver was nodig om soep voor mensen te bereiden; niemand zou eraan hebben gedacht zo ’n delicatesse aan een paard te geven. Zo spande de voerman zichzelf voor het tuig en werd zelf trekdier. Men zag allerlei soorten karren die door mensen werden getrokken. Het Chinese woord ‘riksja ’ raakte in het Jiddisch van het getto ingeburgerd. Er waren riksja ’s voor personenvervoer en voor goederenvervoer. Sommige werden als een fiets voortbewogen. Er waren ongeveer duizend riksja ’s in het getto, meestal geëxploiteerd door voormalige voerlieden, chauffeurs of studenten, maar alleen door degenen wier lichamelijke toestand het toeliet de rol van het uitgestorven paard over te nemen.
Verslag van Bernard Goldstein
Onder deze leefomstandigheden waren twaalf uur dwangarbeid nog een voorrecht. De werkkolonnes die elke ochtend naar het ‘Arische ’ deel van de stad marcheerden, kregen tenminste iets te eten. Maar steeds minder mensen hadden de kracht zware lichamelijke inspanningen te verdragen. Vroeg of laat zakten ook zij van uitputting in elkaar, net als de werkloze ouderen en de hongerige kinderen, wier lichamen dagelijks van de straat werden opgeraapt en op grote karren naar het kerkhof werden gebracht.
Maar wat moet er met de Joden gebeuren? Gelooft u misschien dat men hen in het Oostland op kolonistenboerderijen zal onderbrengen? Men heeft ons in Berlijn gezegd: waarom al die moeilijkheden? Wij kunnen in het Oostland of in het Rijkscommissariaat ook niets met hen beginnen. Liquideert hen zelf. Heren, ik moet u verzoeken zich tegen alle gevoelens van medelijden te wapenen. Men kan vroegere opvattingen niet toepassen op zulke gigantische, unieke gebeurtenissen. We moeten in elk geval een weg vinden die naar het doel leidt. Deze 3,5 miljoen Joden kunnen wij niet doodschieten. Wij kunnen hen niet vergiftigen, maar wij zullen toch maatregelen kunnen treffen die op de een of andere manier tot een vernietigend resultaat leiden.
Generalgouverneur Hans Frank
In het gettokamp Theresienstadt bij Praag, het doorgangsstation van veel Duitse Joden op weg naar de gaskamers van Auschwitz, bestonden nog kartonnen urnen voor de as van de doden. In Warschau, waar in de zomer van 1941 maandelijks 5.000 mensen wegstierven, werden de lijken van de verhongerden met honderden tegelijk in massagraven geworpen. Volgens berekeningen van een Joodse artsencommissie in het getto van Warschau zou het oorspronkelijke plan om de mensen door honger te doden vijf jaar hebben gevergd. In de zomer van 1942, toen de techniek van de massamoord in de gaskamers voldoende ontwikkeld was, begonnen de grote deportaties naar de vernietigingskampen.
Met Hauptsturmführer Höfle sprak ik voor maandag 16 maart 1942 om 17.30 uur een onderhoud af. In de loop van dat gesprek verklaarde Höfle het volgende:
1. Het zou doelmatig zijn de Jodentransporten die in het district Lublin aankomen al op het vertrekstation te scheiden in arbeidsgeschikte en niet-arbeidsgeschikte Joden. Indien die scheiding op het vertrekstation niet mogelijk is, zou men eventueel ertoe moeten overgaan het transport in Lublin volgens die uitgangspunten te verdelen.
2. Niet-inzetbare Joden gaan naar Bełżec, het uiterste grensstation in het district Zamość . Aan het slot verklaarde hij dat hij dagelijks vier tot vijf transporten van telkens duizend Joden met bestemming Bełżec kon opnemen.
Handtekening onleesbaar
Voor 7 september 1942 was het begin voorzien van de uitzetting van oude, zwakke en zieke personen boven 65 jaar, van zieke en zwakke personen ongeacht hun leeftijd en van kinderen onder de 10 jaar. Plotseling werden, met medewerking van de ordedienst en door de uitzettingsautoriteiten van de Geheime Staatspolizei, hele huizenblokken afgegrendeld. De uitzetting duurde tot en met 12 september 1942. Er werden ongeveer 18.000 personen door getroffen, volwassenen en kinderen.
Gettocommissariaat Litzmannstadt aan de inspecteur van de SIPO en de SD, 24 september 1942
Afvoer van zieken inŁódź
Sinds 22 juli rijdt dagelijks een trein met telkens 5.000 Joden van Warschau via Mał kinia naar Treblinka; daarnaast tweemaal per week een trein met 5.000 Joden van Przemyś l naar Bełżec. Gedob onderhoudt voortdurend contact met de Sicherheitsdienst in Krakau. Deze stemt ermee in dat de transporten van Warschau via Lublin naar Sobibór (bij Lublin) voorlopig stil liggen zolang de ombouwwerkzaamheden op deze lijn deze transporten onmogelijk maken, vermoedelijk tot ongeveer oktober 1942.
Onderminister Theodor Ganzenmüller, Reichsverkehrsministerium, 28 juli 1942
Met bijzondere vreugde heb ik uit uw mededeling vernomen dat nu al 14 dagen lang dagelijks een trein met telkens 5.000 leden van het uitverkoren volk naar Treblinka rijdt. Van mijn kant heb ik met de betrokken instanties contact opgenomen zodat een vlotte uitvoering van de totale maatregelen gewaarborgd lijkt.
Antwoord van Himmlers veldadjudant, SS-Obergruppenführer Karl Wolff, 13 augustus 1942
Bekendmaking
Door verordening van de gouverneur-generaal voor de bezette Poolse gebieden van 26 januari 1940 is het gebruik van de spoorwegen door Joden in het Generalgouvernement tot nader order verboden. Treinkaarten mogen daarom niet langer aan Joden worden uitgegeven.
Generaldirectie van de Oostbaan
De laatste rit
Uit het Generalgouvernement worden nu, te beginnen bij Lublin, de Joden naar het oosten afgevoerd. Daarbij wordt een tamelijk barbaarse en niet nader te beschrijven methode toegepast, en van de Joden zelf blijft niet veel meer over. In grote lijnen kan men stellen dat 60 procent van hen geliquideerd moet worden, terwijl slechts 40 procent nog voor arbeid kan worden ingezet. De voormalige Gauleiter van Wenen, Globocnik, die deze actie uitvoert, doet dat met aanzienlijke bedachtzaamheid en ook met een werkwijze die niet al te veel opvalt. De in de steden van het Generalgouvernement leeggekomen getto ’s worden nu gevuld met uit het Rijk afgevoerde Joden, waarna het proces zich na enige tijd zal herhalen.
Josef Goebbels, dagboekaantekening van 27 maart 1942
Deportaties
Massa-executies
Op 22 juni 1941 valt Hitler de Sovjet-Unie aan. Hij is de heer van Europa en zijn macht lijkt grenzeloos. Dit is het laatste land dat zijn legers binnentrekken, maar het eerste waarin het uitroeiingsprogramma meteen wordt uitgevoerd. Hier, waar hij zich geen diplomatieke terughoudendheid hoeft op te leggen, begint de Sicherheitspolizei — al een jaar voordat de grote transporten uit West-Europa naar de Poolse vernietigingskampen op gang komen — met een barbaarse massaslachting van de Joodse bevolking.
De burgerbevolking kon niet altijd tijdig geëvacueerd worden. Veel Joden bleven ook uit eigen beweging, tegen het advies van de Sovjetautoriteiten in. De ouderen onder hen herinnerden zich nog de Duitsers uit de Eerste Wereldoorlog en waren niet bang: zij wisten niet wat er intussen van Duitsland geworden was.
In iedere Russische stad die door Duitse soldaten wordt veroverd, organiseren de Einsatzgruppen al in de eerste dagen bloedige massamoorden. Op enkele plaatsen, waar de Wehrmacht nog een tijdlang bepaalde arbeidskrachten nodig heeft, komt het tot een tijdelijke gettovorming. Meestal echter worden de mensen eenvoudig buiten de stad gebracht, naar een helling of een antitankgracht, en ter plekke neergemaaid.
‘Alleen maar arbeid, alleen maar hervestiging ’, zeiden de Duitsers tegen hen, zodat zij zonder verzet in de vrachtwagens stapten die hen naar de executieplaats brachten. In de val gelokt, met zweepslagen van de wagens gedreven, omsingeld door geweren en stalen helmen, met voor zich de open kuilen met de lijken van hun buren die een half uur eerder waren afgevoerd, zagen de meesten geen uitweg meer. Stom van ontzetting en verlamd door doodsangst wensten zij slechts dat deze verschrikking zo snel mogelijk zou eindigen, zonder eerst nog mishandeld te worden. Hoe hadden zij zich ook kunnen verweren, naakt en tegenover zwaarbewapende moordenaars?
En wie zou in dit stervensuur zijn oude ouders, zijn vrouw, zijn kinderen, die niet konden vluchten, alleen hebben willen laten? Jonge mensen die geen familieleden meer hadden, probeerden soms in een laatste ogenblik, met de moed van de wanhoop, nog te ontkomen. Slechts zeer weinigen slaagden daarin. Maar bijna een miljoen bleef in de kuilen achter.
Hoe verder de Wehrmacht naar het oosten oprukte, hoe groter het werkterrein van de executiecommando ’s werd. Vier Einsatzgruppen kamden de bezette gebieden van de Sovjet-Unie uit, van de Baltische landen tot aan de Kaukasus. Zoals overal maakte men ook hier gebruik van de slechtste elementen uit de plaatselijke bevolking en vormde men hulptroepen uit Litouwse en Oekraïense vrijwilligers. Omdat de executies officieel werden voorgesteld als ‘partizanenbestrijding ’, namen deels ook veldpolitie en Wehrmacht eraan deel.
Vaak werden soldaten die zich aan vergrijpen hadden schuldig gemaakt gedwongen zich ter ‘boetedoening ’ bij een Einsatzgruppe aan te sluiten. Sommigen kregen een zenuwinzinking of pleegden zelfmoord. Anderen meldden zich vrijwillig, aangetrokken door driemaal soldij, driemaandelijkse verlofregelingen, extra rantsoenen schnaps en de gelegenheid om te plunderen.
Zoals alle moordenaars probeerden ook de nazi ’s de sporen van hun misdaden uit te wissen. Na de slag bij Stalingrad werd het zogenoemde ‘Kommando 1005 ’ ingezet, een brigade van Joodse gevangenen wier afgrijselijke taak het was de enorme massagraven opnieuw te openen en de halfverrotte lichamen te verwijderen.
Eén van hen die ontsnapte heeft beschreven hoe zij de reusachtige brandstapels van mensenlichamen moesten opstapelen en verbranden, de botresten verbrijzelen, de aarde zeven, gras zaaien en de as in alle windstreken verstrooien. Maar het aantal massagraven was te groot en de Sovjetopmars ging te snel. Zo trof men in de bevrijde gebieden overal nog reusachtige schedelvelden aan. In 1944, anderhalf jaar na het begin van het grote tegenoffensief, stuitten Russische soldaten in Odessa voor het eerst op overlevende Joden.
Drie rapporten
De Joodse bevolking is direct na de gevechten aanvankelijk ongemoeid gebleven. Pas weken, deels maanden later, werd een planmatige fusillering van Joden uitgevoerd door daarvoor speciaal aangewezen formaties van de Ordnungspolizei. Deze actie verliep in wezen van oost naar west. Zij vond geheel in het openbaar plaats, onder inschakeling van Oekraïense militie en helaas vaak ook met vrijwillige deelname van Wehrmachtsleden. De wijze waarop de acties werden uitgevoerd — tegen mannen en grijsaards, vrouwen en kinderen, van elke leeftijd — was gruwelijk. De actie is in de massaliteit van de executies zo gigantisch als geen eerdere vergelijkbare maatregel in de Sovjet-Unie. In totaal zijn tot nu toe naar schatting 150.000 tot 200.000 Joden in het tot het Rijkscommissariaat behorende deel van de Oekraïne geëxecuteerd.
Rapport van een bewapeningsinspecteur in Oekraïne, 2 december 1941
De systematische zuiveringsactie in het Oostland omvatte volgens de principiële bevelen de zo volledig mogelijke uitroeiing van het Jodendom. Dat doel is, met uitzondering van Wit-Rusland, in wezen bereikt door de executie van tot dusver 229.052 Joden. De in de Baltische provincies overblijvende rest is dringend nodig voor arbeid en is in getto ’s ondergebracht. De definitieve en fundamentele verwijdering van de in het Wit-Russische gebied na de Duitse inval achtergebleven Joden stuit op bepaalde moeilijkheden. Juist hier vormt het Jodendom een buitengewoon hoog percentage van de vakarbeiders, die bij gebrek aan andere reserves onmisbaar zijn. Verder heeft Einsatzgruppe A het gebied pas na het invallen van de strenge vorst overgenomen, wat massa-executies aanzienlijk bemoeilijkte. Toch werden reeds 41.000 Joden doodgeschoten. In Minsk zelf leven op dit moment — afgezien van Rijksduitse Joden — nog ongeveer 18.000 Joden, wier executie met het oog op hun arbeid voorlopig moest worden uitgesteld.
Geheim rapport van Einsatzgruppe A
In uitvoerige besprekingen met SS-Brigadeführer Zenner en de buitengewoon bekwame leider van de SD, SS-Obersturmbannführer dr. jur. Strauch, hebben wij in Wit-Rusland in de afgelopen tien weken ongeveer 55.000 Joden geliquideerd. In het gebied Minsk-Land is het Jodendom volledig uitgeroeid zonder dat de inzet van arbeidskrachten erdoor in gevaar kwam. In de overwegend Poolse streek Lida werden 16.000 Joden, in Slonim 8.000 Joden geliquideerd enzovoort. Ook in Minsk-stad zijn op 28 en 29 juli ongeveer 10.000 Joden geliquideerd, daarvan 6.500 Russische Joden — overwegend ouderen, vrouwen en kinderen — en de rest niet-inzetbare Joden die voornamelijk uit Wenen, Brno, Bremen en Berlijn in november van het voorgaande jaar naar Minsk waren gestuurd.
Verslag van de generaal-commissaris voor Wit-Rusland, Wilhelm Kube, 31 juli 1942
Ik heb het gezien — de fusillering van de Joden in Dubno
Toen ik op 5 oktober 1942 het bouwbureau in Dubno bezocht, vertelde mijn voorman Hubert Moennikes uit Hamburg-Marburg mij dat in de buurt van de bouwplaats Joden uit Dubno in drie grote kuilen van elk ongeveer 30 meter lengte en 3 meter diepte waren doodgeschoten. Dagelijks zouden ongeveer 1.500 mensen zijn gedood. Alle in Dubno nog aanwezige ongeveer 5.000 Joden moesten geliquideerd worden. Omdat de executies in zijn aanwezigheid hadden plaatsgevonden, was hij nog geheel overstuur.
Moennikes en ik gingen direct naar de kuilen. Wij werden niet tegengehouden. Nu hoorde ik kort na elkaar geweerschoten achter een aarden wal. De mensen die van de vrachtwagens waren gestapt — mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden — moesten op bevel van een SS-man, die een rijzweep of hondenzweep in de hand hield, zich uitkleden en hun kleding gescheiden neerleggen: schoenen, bovenkleding en ondergoed elk op een andere plaats. Ik zag een schoenhoop van naar schatting 800 tot 1.000 paar.
Getuigenverklaring van Hermann Friedrich Grabe
Zonder geschreeuw of geween trokken deze mensen hun kleren uit, stonden in familiegroepen bijeen, kusten elkaar, namen afscheid en wachtten op een teken van een andere SS-man, die bij de kuil stond en eveneens een zweep in de hand hield. Ik heb gedurende een kwartier, terwijl ik bij de kuilen stond, geen klachten of smeekbeden om genade gehoord.
Ik observeerde een familie van ongeveer acht personen: een man en een vrouw, beiden ongeveer vijftig jaar oud, met hun kinderen van ongeveeréén, acht en tien jaar, plus twee volwassen dochters van twintig tot vierentwintig jaar. Een oude vrouw met sneeuwwit haar hield het kind vanéén jaar op de arm, zong er iets voor en kietelde het. Het kind piepte van plezier. Het echtpaar keek met tranen in de ogen toe. De vader hield een jongen van ongeveer tien jaar bij de hand en sprak zacht tegen hem. De jongen vocht tegen zijn tranen. De vader wees met zijn vinger naar de hemel, streek hem over het hoofd en leek hem iets uit te leggen.
Toen riep de SS-man bij de kuil al iets naar zijn kameraad. Die scheidde ongeveer twintig personen af en wees hun aan achter de aarden wal te gaan. De familie over wie ik hier spreek hoorde daarbij. Ik herinner mij nog precies hoe een meisje, zwart haar, slank, toen zij dicht bij mij langsliep, met haar hand langs haar lichaam omlaag wees en zei: ‘23 jaar! ’
Ik liep om de aarden wal heen en stond voor het enorme graf. Dicht opeengepakt lagen de mensen zo op elkaar dat alleen de hoofden zichtbaar waren. Van bijna alle hoofden liep bloed over de schouders. Een deel van de neergeschotenen bewoog nog. Sommigen hieven hun armen op en draaiden het hoofd om te laten zien dat zij nog leefden. De kuil was al voor driekwart gevuld. Naar mijn schatting lagen er reeds ongeveer duizend mensen in.
Ik keek om naar de schutter. Dat was een SS-man die op de rand van het smalle uiteinde van de kuil op de grond zat, zijn benen in de kuil liet hangen, een machinepistool op zijn knieën had liggen en een sigaret rookte. De volledig naakte mensen gingen via een trap, die in de lemen wand van de kuil was gegraven, naar beneden, gleden over de hoofden van de liggende mensen heen naar de plek die de SS-man aanwees. Zij legden zich neer vóór de dode of gewonde mensen; sommigen streelden de nog levenden en spraken zacht tegen hen.
Toen hoorde ik een salvo. Ik keek in de kuil en zag hoe de lichamen schokten of hoe de hoofden al stil op de lichamen voor hen lagen. Vanuit de nekken liep bloed. Het verbaasde mij dat ik niet werd weggejaagd, maar ik zag ook twee of drie postbeambten in uniform in de buurt staan. Toen kwam al de volgende groep, daalde de kuil in, voegde zich bij de vorige slachtoffers en werd doodgeschoten. Toen ik om de aarden wal terugliep, merkte ik weer een pas aangekomen transport mensen op. Ditmaal waren er ook zieken en gebrekkigen bij. Een oude, zeer magere vrouw met vreselijk dunne benen werd door enkele andere, al naakte mensen uitgekleed, terwijl twee personen haar ondersteunden. De vrouw was kennelijk verlamd. De naakte mensen droegen de vrouw om de aarden wal heen. Ik verwijderde mij met Moennikes en reed met de auto terug naar Dubno.
Beëdigde verklaring van bouwkundig ingenieur Hermann Friedrich Grabe, Wiesbaden, 10 november 1945
Ik heb meegeschoten — de fusillering van de Joden in Schirowitz
Schirowitz is een voorstad van Slonim en ligt ongeveer 7 tot 9 kilometer daarvandaan. Bij deze executie werden ongeveer 1.200 tot 1.400 Joden uit het getto vernietigd. Voor deze actie werden groepen van 500 personen te voet naar de vernietigingsplaats gebracht en daar door de aangewezen executiecommando ’s gedood. Ik was zelf bij deze executie aanwezig en heb ook zelf meegeschoten. De kuilen waren ditmaal 4 meter breed, 5 meter diep en ongeveer 60 tot 80 meter lang. De executieplaats lag buiten de plaats achter een bosje. Enkele dagen vóór de executie werden er schietproeven op die plek gehouden om vast te stellen of de bevolking van Schirowitz het geluid van de executies kon horen.
De executie verliep ongeveer als volgt: de bewakers gingen met de Joden de kuilen in. Daarbij werd het achterste einde van de kuilen afgesloten en werden de Joden gedwongen zich aan de rand uit te kleden en zich zonder enig verder onderzoek onmiddellijk in de kuilen neer te leggen. Toen de eerste laag erin lag, gingen de bewakers uit de kuilen en werd van beide kanten tegelijk het vuur geopend. Door deze opstelling kon een kruisvuur op de Joden worden geopend. De eerste laag bestond uit ongeveer 100 tot 120 mensen in de kuil.
Na de eerste executie moest de tweede laag Joden zich zo op de dode lichamen leggen dat het hoofd op de voeten van de onderste lijken kwam te liggen. Inéén kuil werden ongeveer 5 à 6 lagen op elkaar geworpen en bedroeg het aantal Joden inéén kuil ongeveer 400 tot 500 personen. De executies werden uitgevoerd met snelvuurgeweren, karabijnen en machinepistolen, geheel naar believen. Daarvóór werden velen doodgeslagen.
Het was verbazingwekkend hoe de Joden de kuilen ingingen, uitsluitend met onderlinge troost, om elkaar zo moed in te spreken en de executiecommando ’s het werk te vergemakkelijken. De executie zelf duurde 3 tot 4 uur. Ik nam de hele tijd aan de executie deel. De enige pauzes die ik maakte waren wanneer mijn karabijn leeggeschoten was en ik opnieuw moest laden. Daardoor kan ik niet zeggen hoeveel Joden ik zelf in die 3 tot 4 uur heb gedood, want in die tijd schoot een ander voor mij door. Wij dronken in die uren vrij veel schnaps om onze werklust aan te wakkeren.
De nog in de onderste lagen levende of slechts aangeschoten Joden werden door de bovenste lagen verstikt of door het bloed van de bovenste lagen verdronken. Ditmaal kwam niemand die aangeschoten was levend weg. De kuilen werden daarna door de plaatselijke bevolking dichtgeschept. Na deze massamoord volgde opnieuw een bespreking bij de districtscommissaris. De districtscommissaris prees bij die gelegenheid mijn ijver en was met de hele actie tevreden.
Op deze wijze werden verdere executies in andere plaatsen uitgevoerd, onder meer in Koslowtschisna (ca. 700 à 800 Joden), in Beretschin (ca. 2.000 à 3.000 personen), in Holinka (400 à 500 Joden) en in Bytin (ca. 3.000 à 4.000). Bij deze executies moesten allen die ook bij de vorige executie aanwezig waren opnieuw meedoen. Wij gebruikten daarbij dezelfde wapens. Bovendien namen onderofficier Muck, vrijwillige soldaten en spoorwegpersoneel van het station van Slonim deel zodra zij merkten dat er bij deze executies iets te halen viel. Bij deze executie werden kleren en sieraden vóór de executie afgelegd. Lichamelijk onderzoek vond wegens tijdgebrek niet plaats.
In een van deze plaatsen was een verzetsbeweging die door de SD werd ontdekt. De mensen werden bijzonder hard door de SD verhoord en mishandeld en vervolgens samen met de Joden doodgeschoten. Het ging daarbij om 80 Polen van het nationale congres. De leider van deze SD-troep was SS-Untersturmführer Amelung. Ook aan deze executie heb ik deelgenomen.
De tweede vernietiging in Slonim vond plaats in de herfst van 1943 en moest de definitieve oplossing van het Joodse vraagstuk in die plaats zijn. Deze afhandeling was voor alle commissariaten bevolen en de districtscommissaris die als eerste het Jodenvraagstuk had ‘afgedaan ’ zou daarna onmiddellijk bevorderd worden. Ik wil hierbij opmerken dat 85% van de bevolking Joods was. In anderhalf jaar werden in dit district 24.000 Joden vernietigd.
Beëdigde verklaring van tolk Alfred Metzner, Augsburg, 18 september 1947
In iedere oorlog, ook in deze, zijn ongetwijfeld — en zeker aan beide kanten — gewelddaden en gruwelijkheden gepleegd. Zeker, voor degenen aan wie zij zijn aangedaan, lijken zij afschuwelijk genoeg; ik verontschuldig en verbloem ze niet. Maar dat waren toevallige, ongeorganiseerde en op zichzelf staande daden. Hier echter hebben wij met iets heel anders te maken: met systematische, grootschalige, samenhangende misdaden, die met opzet, na beraad en berekening zijn begaan. De geschiedenis kent geen parallel voor deze verschrikkingen.
Sir Hartley Shawcross
Er wordt natuurlijk flink opgeruimd, vooral onder de Joden. We slapen hier niet. Wekelijks 3 tot 4 acties. De ene keer zigeuners en de andere keer Joden, partizanen en ander gespuis. Wij hebben van de hier in Kamenetz-Podolsk wonende Jodinnetjes nog slechts een verdwijnend klein percentage van de 24.000 over. De in de rayons wonende Jodinnetjes behoren eveneens tot onze naaste clientèle. Wij maken hier baan zonder gewetensbezwaren en dan: ‘...de golven slaan dicht, de wereld heeft rust. ’
Gendarmeriemeester Fritz Jacob aan generaal-luitenant Querner, 21 juni 1942
Het graven van de kuilen neemt het grootste deel van de tijd in beslag, terwijl het doodschieten zelf zeer snel gaat (100 man in 40 minuten). In het begin waren mijn soldaten niet onder de indruk. Op de tweede dag bleek echter al dat de een of ander de zenuwen niet bezit om langere tijd een executie uit te voeren. Mijn persoonlijke indruk is dat men tijdens het schieten geen geestelijke remmingen ondervindt. Die stellen zich echter in wanneer men er ’s avonds na enkele dagen in rust over nadenkt.
Verslag van Oberleutnant Walther over een executie bij Belgrado op 1 november 1941
Wij weten dat het nu zinloos is nog over verschillende oplossingsvoorstellen te spreken; de Jodenvraag is uit het theoretische stadium in een louter praktisch stadium getreden, en wel niet alleen in Duitsland maar in toenemende mate ook in de andere Europese landen. Het lot van de Joden voltrekt zich nu volgens de wetten van een gerechtigheid die niet vraagt naar kleinzielige gevoelens en onomkoopbaar het welzijn van de mensheid dient. Over de Joden in Europa is het vonnis uitgesproken.
‘Die Front ’, legerkrant van een leger nr. 414, 18 juli 1942
Er wordt aan de vijandelijke propaganda materiaal geleverd zoals men het doeltreffender in de hele wereld niet had kunnen bedenken. Wat de buitenlandse zenders tot nu toe hebben gebracht, is slechts een klein deel van wat er in werkelijkheid is gebeurd. Er moet rekening mee worden gehouden dat het geschreeuw van het buitenland voortdurend toeneemt en de grootste politieke schade veroorzaakt, temeer daar de gruweldaden werkelijk gebeurd zijn en op geen enkele manier te weerleggen vallen.
Generaloberst Blaskowitz
‘Het Joodse volk wordt uitgeroeid ’, zegt iedere partijgenoot, ‘heel duidelijk, dat staat in ons programma, uitschakeling van de Joden, uitroeiing, dat doen we. ’ Van allen die zo praten heeft niemand het gezien, niemand heeft het doorstaan. Van jullie zullen de meesten weten wat het betekent wanneer er 100 lijken bijeen liggen, wanneer er 500 liggen of wanneer er 1000 liggen. Dit te hebben doorstaan, en daarbij — afgezien van uitzonderingen van menselijke zwakte — fatsoenlijk te zijn gebleven, dat heeft ons hard gemaakt. Dit is een nooit geschreven en nooit te schrijven roemblad van onze geschiedenis.
Heinrich Himmler
Wat is daar nog Katyn bij? Men stelle zich eens voor dat zulke voorvallen aan de andere kant bekend zouden worden en daar zouden worden uitgebuit! Waarschijnlijk zou zo ’n propaganda alleen al daarom geen effect hebben, omdat luisteraars en lezers niet bereid zouden zijn haar te geloven.
De Rijkscommissaris voor het Oostland aan de Rijksminister voor de bezette Oostgebieden, 18 juni 1943
Dit meisje is een van de weinigen van wie de beulen beeld en naam hebben achtergelaten. Bajla Gelblung ontsnapte uit een doodstransport uit het getto van Warschau en sloot zich aan bij de partizanen. Toen zij in Brest-Litovsk werd gearresteerd, droeg zij een Poolse militaire jas. Deze foto van haar verhoor verscheen tijdens de oorlog in een Duits geïllustreerd tijdschrift.
Wij weten niet waarom deze Russische boer moest sterven. Misschien verborg hij vluchtende Joden, misschien hielp hij de partizanen. Zijn door doodsangst vervulde gezicht staat voor honderdduizenden die terechtgesteld werden omdat zij partij kozen voor de vervolgden en tegen de vervolgers.
De deportaties
De veroveringen in het westen stelden de fanatici van de Jodenuitroeiing voor nieuwe problemen. Een tijd lang speelde men met het absurde idee alle Joden van Europa naar het eiland Madagaskar te verbannen en hen daar aan hun lot over te laten. Maar dit project werd al snel weer verlaten.
Een maand na de aanval op de Sovjet-Unie belast Göring de chef van de SIPO en de SD, Reinhard Heydrich, met de organisatorische voorbereidingen voor de ‘Endlösung der Judenfrage ’ in de door Duitsland bezette gebieden. Een half jaar later liggen de plannen klaar.
De massa-executies in de Sovjet-Unie zijn dan al in volle gang, de deportaties uit het Duitse Rijk zijn begonnen en in Polen worden de eerste mensen de gaskamers binnengeleid, wanneer Heydrich op 20 januari 1942 tijdens een bespreking ‘met aansluitend ontbijt ’ in Berlijn, Am Großen Wannsee 56/58, de vertegenwoordigers van de bevoegde ministeries over de aanstaande acties informeert om hun medewerking te verkrijgen.
In de lente van datzelfde jaar begint de grote mensenjacht. In alle bezette landen herhaalt zich dezelfde tragedie. Met de registratie, de invoering van de Jodenster en het uitvaardigen van antisemitische wetten was het begonnen. Nu beginnen de deportaties.
Alles is door voorschriften geregeld en verloopt volgens een nauwkeurig plan. Men ontvangt een formulier waarop staat wat men mag meenemen: proviand voor twee dagen, een etenskom, geen mes, wel een lepel, twee dekens, warme kleding, een paar stevige schoenen, maximaal gewicht 25 kilo; één koffer waarop men zijn naam moet schrijven en die men nooit meer zal openen.
Op straat wacht al een vrachtauto vol mensen die naar het verzamelkamp of direct naar het goederenstation rijdt. Aan het laadperron staat een trein: twintig veewagons met met prikkeldraad dichtgespijkerde luchtopeningen en twee personenwagens voor de bewakingsmanschappen. Duizend mensen passen in zo ’n transport.
De treinen rijden meerdere keren per week en vertrekken vanaf alle stations van Europa. Zelfs het uitvallen van dringend benodigde aanvoer voor het front en de verstopping van terugtreklijnen kunnen de Duitse regering er niet van weerhouden haar programma door te voeren.
Duizendmaal, honderdduizendmaal, miljoenenmaal afscheid, een laatste blik, een omhelzing. Families die uit elkaar gesneden worden, vriendschappen die vernietigd worden. Duizendmaal een mens met zijn geheime zorgen en zijn hoop op geluk. Een heel leven dat wordt gestolen, een naam die wordt uitgewist.
Meerdere dagen en nachten zitten de mensen tussen hun bagage in het halfduister van de overvolle veewagons, oververmoeid, vervuild, dorstig en wanhopig, in onzekerheid over het doel van hun reis. De veldfles is allang leeg, de emmer met uitwerpselen loopt over. Kinderen huilen, een vrouw valt flauw. Op de tweede ochtend vindt men de eerste doden, een zuigeling die de ontberingen van de reis niet heeft doorstaan, of een oude mens die de moed verloor.
Soms, wanneer de trein op een Duits station stilstaat, zien de gedeporteerden zusters van het Rode Kruis koffie uitschenken aan passerende soldaten, maar voor Joden is er in Duitsland niet eens water.
Om de slachtoffers gemakkelijker samen te drijven, vertelt men hun dat zij in Polen aan het werk zullen worden gezet. Hoe meer de waarheid doorsijpelt, des te wanhopiger proberen mensen ergens onder te duiken: met een vals paspoort, in een dorp waar niemand hen kent, of in een schuilplaats op de zolder van moedige helpers. Wie niet vrijwillig naar het verzamelpunt gaat, wordt opgehaald. Vaak komt de politie een verlaten woning binnen. Vaak moet zij ook deuren openbreken, omdat degenen die men wil ophalen de bel allang niet meer horen.
Een moderne volksverhuizing is begonnen. Uit Oslo en Athene, Parijs en Amsterdam, Berlijn en Praag, Wenen en Boedapest stromen de eindeloze mensentreinenéén enkele plaats tegemoet, waarvan enkele jaren eerder nog niemand de naam kende: Auschwitz.
Een verschrikkelijk lot heeft de kinderen van Israël getroffen. Maar dit lot heeft een adres en een gezicht: Reichssicherheitshauptamt Berlin, afdeling IV B 4, SS-Obersturmbannführer Adolf Eichmann.
Gemeente / staat / bevelen tot aanmelding
Gemeente ’s ‑ Gravenhage
AANMELDPLICHT van personen van geheel of gedeeltelijk Joods bloed.
État Français — Ville de Vichy
Gemeentelijk besluit: registratie van Israëlieten.
Alle Joden moeten zich op 19 april van dit jaar om 8 uur ’s morgens melden bij de stedelijke beschermingspolitie (in het brandweercommando aan de Tas-Majdan). Joden die aan deze meldplicht niet voldoen, worden doodgeschoten.
Belgrado, 16 april 1941 — de chef van de Einsatzgruppe van de Sicherheitspolizei en de SD
Het bevel tot de ‘Endlösung ’
Berlijn, 31 juli 1941
De Rijksmaarschalk van het Groot-Duitse Rijk, gevolmachtigde voor het Vierjarenplan en voorzitter van de ministerraad voor de Rijksverdediging, aan de chef van de Sicherheitspolizei en de SD, Gruppenführer Heydrich, Berlijn:
Ter aanvulling van de u reeds bij decreet van 24 januari 1939 opgedragen taak om de Jodenvraag in de vorm van emigratie of evacuatie tot een oplossing te brengen die, gelet op de tijdsomstandigheden, zo gunstig mogelijk is, draag ik u hierbij op alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen, in organisatorisch, zakelijk en materieel opzicht, voor een totale oplossing van de Jodenvraag in het Duitse invloedssfeergebied van Europa.
Voor zover daarbij de bevoegdheid van andere centrale instanties wordt geraakt, dienen deze erbij te worden betrokken.
Ik draag u verder op mij spoedig een totaalontwerp voor te leggen van de organisatorische, zakelijke en materiële voorbereidende maatregelen voor de uitvoering van de beoogde Endlösung van de Jodenvraag.
Göring
‘Geheime Reichssache ’ — Protocol van de Wannsee-bespreking van 20 januari 1942
In plaats van emigratie is nu, na de desbetreffende voorafgaande toestemming van de Führer, evacuatie naar het oosten als verdere oplossingsmogelijkheid gekomen. Deze acties moeten echter slechts als uitwijkmogelijkheden worden gezien, maar hierbij worden reeds de praktische ervaringen opgedaan die met het oog op de komende Endlösung van de Jodenvraag van groot belang zijn.
In het kader van deze Endlösung van de Europese Joden komen ongeveer 11 miljoen Joden in aanmerking.
Onder passende leiding moeten de Joden in het kader van de Endlösung in geschikte vorm in het oosten voor arbeid worden ingezet. In grote arbeidskolonnes, gescheiden naar geslacht, zullen de arbeidsgeschikte Joden bij wegenbouw in deze gebieden worden ingezet, waarbij ongetwijfeld een groot deel door natuurlijke vermindering zal uitvallen.
De eventueel tenslotte overblijvende restgroep zal, aangezien het daarbij ongetwijfeld om het meest weerbare deel gaat, overeenkomstig behandeld moeten worden, omdat zij, als natuurlijke selectie, bij vrijlating als kiemcel van een nieuwe Joodse opbouw zou moeten worden beschouwd.
In de loop van de praktische uitvoering van de Endlösung zal Europa van west naar oost worden doorgekamd. Het Rijksgebied, inclusief Bohemen en Moravië, zal, alleen al om redenen van woningvraagstuk en andere sociaal-politieke noodzaken, voorop moeten gaan. De geëvacueerde Joden zullen eerst trein na trein in zogeheten doorgangsgetto ’s worden ondergebracht om van daaruit verder naar het oosten te worden vervoerd.
Het begin van de afzonderlijke grotere evacuatie-acties zal in hoge mate afhangen van de militaire ontwikkeling. Wat betreft de behandeling van de Endlösung in de door ons bezette en beïnvloede Europese gebieden werd voorgesteld dat de daarvoor in aanmerking komende functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken overleg plegen met de bevoegde referenten van de Sicherheitspolizei en de SD. Aan het slot werden de verschillende mogelijkheden besproken, waarbij zowel door Gauleiter dr. Meyer als door staatssecretaris dr. Bühler het standpunt werd verdedigd bepaalde voorbereidende werkzaamheden in het kader van de Endlösung meteen in de betreffende gebieden zelf uit te voeren, met dien verstande dat onrust onder de bevolking moest worden vermeden. Met het verzoek van de chef van de Sicherheitspolizei en de SD aan de deelnemers om hem bij de uitvoering van het oplossingswerk passende ondersteuning te verlenen, werd de bespreking gesloten.
Richtlijnen voor de deportatie
Geheime Staatspolizei Bielefeld, 20 maart 1942
Aan de heer Landrat / Oberbürgermeister
Betreft: evacuatie van Joden.
Op 31 maart 1942 worden uit het district van de Staatspolizeistelle Hannover 1.000 Joden naar het oosten geëvacueerd. Uit het voormalige district van de Staatspolizeileitstelle Bielefeld (regeringsdistrict Minden en de landen Lippe en Schaumburg-Lippe) moeten voor het transport 325 Joden worden geleverd. De door de afzonderlijke districtspolitie aan te leveren Joden zijn opgenomen in het bijgevoegde overzicht. De districtspolitie moet het volgende regelen:
1. De voor deportatie bestemde Joden moeten op 30 maart 1942 in hun woningen worden opgehaald en dezelfde dag uiterlijk om 12.00 uur naar Bielefeld, Kyffhäuser (Am Kesselbrink), Grote Zaal, worden overgebracht. De begeleidende executieve ambtenaren moeten de overbrenging in burgerkleding uitvoeren. De transporten moeten waar mogelijk per spoor worden uitgevoerd.
2. Vóór het verlaten van de woningen moet een ambtenaar het aanwezige contante geld en de waardevolle voorwerpen (sieraden, gouden en zilveren voorwerpen, ook gouden horloges) — behalve trouwringen — in beslag nemen. In de woning van de betreffende Jood moet vervolgens een van de bijgevoegde kwitanties worden opgesteld, te ondertekenen door twee ambtenaren en door de betrokken Jood. Het geld en de kostbaarheden moeten samen met het kwitantieformulier in een envelop worden verzegeld en in het opvangkamp in Bielefeld aan de toezichthoudende Stapo-ambtenaar worden afgegeven.
3. Vóór het verlaten van de Jodenwoningen moet erop worden gelet dat gas en water zijn afgesloten en dat het licht is uitgedaan (verduistering). Levend inventaris moet elders worden ondergebracht. Er mogen geen kosten ontstaan.
4. Onmiddellijk na het verlaten van de woningen moeten de Jodenwoningen worden verzegeld. Hiervoor moeten zegelmerken worden gebruikt. De sleutels van de woningen moeten door de plaatselijke politie worden ingenomen en op het kantoor worden bewaard.
Richtlijnen voor de deportatie — vervolg
5. Bij aankomst in het opvangkamp mogen de Joden alleen hun identiteitskaart nog bij zich hebben. Alle andere papieren moeten in de woning achterblijven. Voedselbonnen moeten worden ingenomen en aan het bevoegde economisch bureau worden afgedragen. Arbeidsboekjes en invaliditeitskaarten moeten eveneens worden ingenomen en aan respectievelijk het arbeidsbureau of de invaliditeitsverzekeringsinstelling worden overgedragen.
6. De voor evacuatie aangewezen Joden mogen 25 kilo bagage meenemen. Bovendien mag voedsel voor twee dagen worden meegenomen. De plaatselijke politie moet al op 28 maart 1942 de bagage innemen en tot aan het vertrek bewaren. De bagage moet vóór het transport opnieuw gewogen en zeer nauwkeurig doorzocht worden. Zij mag geen wapens bevatten — vuurwapens, explosieven, messen, scharen, gif, medicijnen enzovoort. Is de bagage zwaarder dan 25 kilo, dan moet zij overeenkomstig worden verminderd. Het is de Joden ook toegestaan maximaal twee slaapdekens mee te nemen, maar die moeten binnen het toegestane gewicht van 25 kilo vallen.
Op de uiterst nauwkeurige uitvoering van bovenstaande bevelen, die zijn opgesteld volgens de richtlijnen van het Reichssicherheitshauptamt, wijs ik bijzonder nadrukkelijk.
He.
Geschiedenis van een transport — verslag over de evacuatie van Joden naar Riga
Het voor 11 december 1941 geplande Jodentransport omvatte 1007 Joden uit de steden Duisburg, Krefeld, verschillende kleinere steden en plattelandsgemeenten uit het Rijns-Westfaalse industriegebied. Düsseldorf was slechts met 19 Joden vertegenwoordigd. Het transport bestond uit Joden van beide geslachten en van uiteenlopende leeftijden, van zuigelingen tot mensen van 65 jaar.
Het vertrek van het transport was voor 9.30 uur voorzien, daarom waren de Joden al vanaf 4.00 uur ’s morgens bij het laadperron klaar voor inscheping. De Reichsbahn kon de speciale trein echter, naar men zei wegens personeelstekort, niet zo vroeg samenstellen, zodat het laden van de Joden pas rond 9.00 uur begon. Het laden werd, omdat de Reichsbahn aandrong op een zo stipt mogelijk vertrek volgens dienstregeling, met de grootste haast uitgevoerd.
Onderweg van het slachthuis naar het laadperron had een mannelijke Jood geprobeerd zelfmoord te plegen door zich door een tram te laten overrijden. Hij werd echter door de vanginrichting van de tram gegrepen en slechts licht gewond. Aanvankelijk deed hij alsof hij stervende was, maar tijdens de rit werd hij al spoedig weer levendig toen hij merkte dat hij aan het lot van de evacuatie niet zou ontsnappen.
Eveneens had een oudere Joodse vrouw zich ongemerkt van het laadperron verwijderd — het regende en het was erg donker —, was een nabijgelegen huis ingevlucht, had zich uitgekleed en op een toilet gezet. Een schoonmaakster merkte haar echter op, zodat ook zij weer aan het transport kon worden toegevoegd.
Het laden van de Joden was omstreeks 10.15 uur voltooid. Na verschillende rangeerbewegingen verliet de trein vervolgens rond 10.30 uur het goederenstation Düsseldorf-Derendorf in de richting van Wuppertal. De reis verliep daarna volgens plan via Wuppertal, Hagen, Schwerte en Hamm. Tegen 18 uur werd Hannover-Linden bereikt. Op 12 december om 1.15 uur bereikte men Wustermark. Om 3.30 uur had de trein op station Berlijn-Lichterfelde een halte van een half uur. De trein had toen al 155 minuten vertraging. Daarna ging de rit verder via Küstrin, Kreuz, Schneidemühl en Firchau.
Kort voor Konitz scheurde een wagon door overbelasting open. Ook de verwarmingsbuis scheurde. De trein kon echter na een voorlopige reparatie de rit tot Konitz voortzetten. Om 12.10 uur verliet de trein station Konitz. De reis ging daarna via Dirschau, Marienburg en Elbing naar Königsberg. Om 1.50 uur ging het verder naar Tilsit. Om 5.15 uur werd grensstation Laugszargen bereikt en vijftien minuten later Tauroggen in Litouwen. Van daaruit zou de rit normaal nog slechts 14 uur tot Riga duren. Door het enkelsporige traject en de lage prioriteit van de trein bij de afhandeling waren er echter op veel stations lange vertragingen.
Op station Schaulen werd de begeleidende ploeg door zusters van het Rode Kruis goed en ruim van eten voorzien. Er werd gortsoep met rundvlees uitgedeeld. Om 19.30 uur werd Mitau in Letland bereikt. Hier maakte zich al een aanzienlijk koudere temperatuur voelbaar. Er begon sneeuw te vallen, gevolgd door vorst. De aankomst in Riga was om 21.50 uur, waar de trein nog anderhalf uur op het station bleef staan. Daar stelde ik vast dat de Joden niet voor het getto van Riga bestemd waren, maar in het getto van Š ķ irotava, 8 km ten noordoosten van Riga, ondergebracht zouden worden.
Op 13 december om 23.35 uur bereikte de trein, na veel heen en weer rangeren, de militaire losplaats bij station Š ķ irotava. De trein bleef onverwarmd staan. De buitentemperatuur bedroeg al 12 graden onder nul. Omdat een overnamecommando van de Stapo niet aanwezig was, werd de bewaking van de trein voorlopig door mijn manschappen voortgezet. De overdracht van de trein vond vervolgens plaats om 1.45 uur; tegelijkertijd werd de bewaking overgenomen door zes Letse politiemannen. Omdat het al na middernacht was, het donker was en het laadperron sterk beijzeld was, zou het uitladen en het overbrengen van de Joden naar het nog 2 km verderop gelegen verzamelgetto pas op zondagochtend bij het aanbreken van de dag plaatsvinden.
Mijn begeleidingscommando werd door twee door de Schutzpolizei ter beschikking gestelde politiewagens naar Riga gebracht en kreeg daar rond 3 uur ’s nachts onderdak. Ikzelf kreeg onderdak in het gastenhuis van de hogere SS- en politieleider, Petersburger Hof, Am Schloßplatz 4.
get. Salitter, Hauptmann der Schutzpolizei
Aan het voorbeeld van Nederland
Betreft: ‘afvoer van de Joden ’ — De vertegenwoordiger van het ministerie van Buitenlandse Zaken bij de Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden in Den Haag, generaal-consul Otto Bene, rapporteert aan Berlijn:
31 juli 1942. Met de vandaag vertrokken treinen zijn tot nu toe 6000 Nederlandse Joden afgevoerd. Het aftransport zelf is zonder verstoringen verlopen en het is ook niet aan te nemen dat bij de in de komende weken lopende transporten moeilijkheden of verstoringen zullen optreden.
13 augustus 1942. Sinds mijn bovengenoemde rapport is de situatie aanzienlijk veranderd. Nadat de Joodse bevolking erachter is gekomen en weet wat er bij het transport respectievelijk de arbeidsinzet in het oosten werkelijk gebeurt, melden zij zich niet meer voor de wekelijkse transporten. Van de 2000 voor deze week opgeroepenen verschenen er slechts ongeveer 400. In hun woningen zijn de opgeroepenen niet meer te vinden. Het maakt dus moeilijkheden de beide treinen te vullen, en men weet nog niet hoe men in de komende weken de treinen moet vullen.
11 september 1942. Men rekent dat ongeveer 25.000 Joden binnen Nederland ‘ambulant ’ wonen, dat wil zeggen: ondergedoken of verborgen. De cijfers van de transporten zijn tot nu toe gehaald. Er worden verschillende maatregelen voorbereid om die cijfers ook in de toekomst veilig te stellen.
16 november 1942. Sinds mijn rapport van 11 september 1942 is de afvoer van de Joden naar het kamp Auschwitz zonder moeilijkheden en zonder incidenten verdergegaan. Tot 15 oktober zijn ongeveer 45.000 Joden afgevoerd. Volgens aanwijzing van de Rijkscommissaris moeten alle Joden uiterlijk op 1 mei 1943 zijn weggevoerd. Dat betekent dat het wekelijkse aantal transporten van 2000 naar 3500 moest worden verhoogd.
6 januari 1943. De afvoer van de Joden uit Nederland is sinds mijn rapport van 16 november 1942 probleemloos verdergegaan, zodat nu de helft van de af te voeren Joden is weggevoerd.
26 maart 1943. Hoe gemakkelijk de Nederlandse bevolking zich nog altijd uit medelijden of winstbejag aan Jodenbegunstiging schuldig maakt, bewijst een geval waarin acht Ariërs zich strafbaar maakten door een Jood gedurende weken achtereen te steunen en te verbergen. Ook van de kant van de Nederlandse politie worden gevluchte Joden meestal alleen opgepakt door die individuele agenten die al langere tijd voor de Duitse politie werken, terwijl het merendeel van de politiemannen zich uit angst voor leidinggevenden, collega ’s en de bevolking niet mengt.
30 april 1943. Uit verschillende provinciesteden werden zelfmoorden van Joden gemeld. De bevolking toonde, afgezien van vrienden uit gemengde huwelijken, geen betrokkenheid meer bij de Jodentransporten en lijkt zich ermee te hebben verzoend.
24 mei 1943. De transporten naar het oosten hebben door de stakingsonrust en de andere inzet van politiemanschappen geen onderbreking ondervonden. De zestigduizendste Jood is voor arbeidsinzet naar het oosten afgevoerd. Het opsporen van gevluchte Joden in Amsterdam en de provincies is, gedeeltelijk met uitbetaling van premiebedragen aan Nederlanders, verdergegaan.
25 juni 1943. Van de oorspronkelijk in Nederland geregistreerde 140.000 vol-Joden is nu de honderdduizendste Jood uit het volkslichaam verwijderd. Een laatste grote toename werd op zondag 20 juni 1943 bereikt door een tweede grote actie in Amsterdam, waarbij binnen 24 uur 5550 Joden konden worden opgepakt. Tot incidenten kwam het niet. De Nederlandse bevolking staat de transporten afwijzend tegenover, maar toont zich uiterlijk overwegend onverschillig.
Bij de laatste vier briefcitaten gaat het om afschriften uit de wekelijkse geheime rapporten van de bevelhebber van de Sicherheitspolizei aan de Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden.
De kinderen van Drancy
De arrestatie van staatloze Joden in Parijs zal door de Franse politie worden uitgevoerd in de periode van 16 juli tot 18 juli 1942. Men verwacht dat na de arrestatie ongeveer 4000 Joodse kinderen zullen achterblijven. Ik verzoek daarom dringend om een telegrafische beslissing of de kinderen van de af te voeren staatloze Joden vanaf ongeveer het tiende transport eveneens kunnen worden weggevoerd.
Telegram van SS-Hauptsturmführer Dannecker, Parijs, aan het Reichssicherheitshauptamt Berlijn, 10 juli 1942
Op 20 juli 1942 belden SS-Obersturmbannführer Eichmann en SS-Obersturmführer Nowak van RSHA IV B 4 hierheen. Met Eichmann werd de kwestie van de kindertransporten besproken. Hij besliste dat, zodra het aftransport naar het Generalgouvernement weer mogelijk zou zijn, ook kindertransporten konden gaan rijden.
Aktennotitie van Dannecker, 21 juli 1942
De Joodse kinderen die in de kampen Pithiviers en Beaune-la-Rolande zijn ondergebracht, kunnen geleidelijk over de geplande transporten naar Auschwitz worden verdeeld. Gesloten kindertransporten mogen echter in geen geval op weg worden gebracht.
Telegram van het RSHA aan de bevelhebber van de SIPO en de SD, Parijs, 13 augustus 1942
Op 14 augustus 1942, om 8.55 uur, heeft transporttrein nr. D 901/14 het vertrekstation Le Bourget-Drancy richting Auschwitz verlaten met in totaal 1000 Joden. Daaronder bevonden zich voor het eerst ook kinderen. De betrokken groep personen komt overeen met de gegeven richtlijnen.
Telegram van SS-Obersturmführer Röthke, Parijs, aan het RSHA, de inspecteur van de concentratiekampen en KL Auschwitz, 14 augustus 1942
Op de dag van het vertrek werden de kinderen gewoonlijk om vijf uur ’s morgens gewekt en in het halfduister aangekleed. Vaak was het koud om vijf uur ’s morgens, maar bijna alle kinderen gingen zeer licht gekleed naar de binnenplaats. Plotseling uit hun slaap gehaald, ziek van slaperigheid, begonnen de kleinsten te huilen, en geleidelijk volgden de anderen hun voorbeeld. Zij wilden niet naar de binnenplaats beneden, verzetten zich en wilden zich niet laten aankleden. Soms gebeurde het dat een hele kamer met honderd kinderen, gegrepen door paniek en onbedwingbare angst, niet meer luisterde naar de geruststellende woorden van volwassenen die vergeefs probeerden hen tot naar beneden gaan te bewegen. Dan riep men de gendarmes, die de van angst schreeuwende kinderen op hun armen naar beneden droegen.
Op de binnenplaats wachtten zij tot zij werden afgeroepen; vaak antwoordden zij verkeerd op hun naam. De ouderen hielden de kleineren aan de hand en lieten hen niet los. In ieder transport was er een bepaald aantal kinderen dat er op het einde nog bij werd gevoegd; degenen van wie de naam onbekend was. Zij werden op de lijst met een vraagteken genoteerd. Dat had echter weinig betekenis: het was twijfelachtig of ook maar de helft van deze ongelukkige kinderen de reis zou overleven, en het stond vast dat de overlevenden onmiddellijk na aankomst zouden worden vernietigd.
Op deze manier werden in twee weken tijd 4000 kinderen, die na het wegvoeren van hun ouders in Drancy waren achtergebleven, gedeporteerd. Dit gebeurde in de tweede helft van augustus 1942.
Verslag van Georges Wellers
Het protest van de Nederlandse kerken
Uit de kanselafkondiging die op zondag 26 juli 1942 in alle Nederlandse kerken van alle gezindten werd voorgelezen, moeten de volgende bijzonderheden worden genoemd:
1. De kerken verklaren zich in naam van recht en gerechtigheid geroepen bezwaar te maken tegen het wegvoeren van de Joden en tegen de uitzending van arbeiders naar Duitsland.
2. Zij maken in de afkondiging een telegram openbaar dat zij op 11 juli aan de Rijkscommissaris hadden gestuurd. Het luidde:
‘De ondergetekende Nederlandse kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de Joden in Nederland waardoor dezen van deelname aan het normale volksleven zijn uitgesloten, hebben met ontzetting kennisgenomen van de nieuwe maatregelen waardoor mannen, vrouwen en kinderen en hele families zouden moeten worden weggevoerd naar het Duitse Rijksgebied en door Duitsland beheerste gebieden. Het leed dat hierdoor over tienduizenden wordt gebracht, het besef dat deze maatregelen in strijd zijn met het diepste morele bewustzijn van het Nederlandse volk, en vooral de aantasting van alles wat ons van Godswege als recht en gerechtigheid is opgelegd, dwingen de kerken tot het dringende verzoek aan u deze maatregel niet ten uitvoer te brengen. Voor de christenen onder de Joden wordt ons dit dringende verzoek bovendien opgelegd door de overweging dat hun door deze maatregelen de deelname aan het kerkelijk leven wordt afgesneden. ’
Ondertekend door de Nederlandse Hervormde Kerk, de aartsbisschop en bisschoppen van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland, de Calvinistische Kerken in Nederland, de Algemene Doopsgezinde Gemeente, de Remonstrantse Broederschap, de Gereformeerde Kerken in Nederland in hersteld verband, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerken in Nederland.
Verslag van generaal-consul Otto Bene, Den Haag, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn, 31 juli 1942
De houding van het Vaticaan
De paus heeft zich, hoewel hij naar verluidt van verschillende kanten onder druk werd gezet, niet laten verleiden tot een demonstratieve verklaring tegen het aftransport van de Joden uit Rome. Hoewel hij ermee moest rekenen dat deze houding hem door onze tegenstanders zou worden nagedragen en door protestantse kringen in de Angelsaksische landen propagandistisch tegen het katholicisme zou worden gebruikt, heeft hij ook in deze delicate kwestie alles gedaan om de verhouding met de Duitse regering en de in Rome aanwezige Duitse instanties niet te belasten.
Aangezien hier in Rome verdere Duitse acties in de Jodenvraag vermoedelijk niet meer uitvoerbaar zijn, kan men er dus van uitgaan dat deze voor de Duits-Vaticaanse verhouding onaangename kwestie als afgedaan kan worden beschouwd. Van Vaticaanse zijde ligt daarvoor in ieder geval een duidelijk teken voor. De Osservatore Romano heeft namelijk op 25/26 oktober op prominente plaats een officieel communiqué gepubliceerd over de liefdadigheid van de paus, waarin in de voor dit Vaticaanse blad kenmerkende, zeer omzichtige en onduidelijke stijl wordt gezegd dat de paus zijn vaderlijke zorg laat uitgaan naar alle mensen zonder onderscheid van nationaliteit en ras. De veelzijdige en ononderbroken activiteit van Pius XII zou zich de laatste tijd als gevolg van het toegenomen lijden van zoveel ongelukkigen nog hebben versterkt.
Tegen deze publicatie hoeft des te minder bezwaar te worden gemaakt omdat haar formulering slechts door weinigen zal worden opgevat als een specifieke verwijzing naar de Jodenvraag.
Koeriersbrief van de Duitse ambassadeur bij de Heilige Stoel, Ernst von Weizsäcker, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn, 28 oktober 1943
Een van de indrukwekkendste manifestaties van verzet was de grote solidariteitsstaking van de Nederlandse arbeiders op 25 en 26 februari 1941. Bij een razzia in de oude Jodenbuurt van Amsterdam kwam het tot een botsing tussen Nederlandse collaborateurs en havenarbeiders, die de in het nauw gedreven Joden te hulp schoten. Een politieagent raakte gewond en stierf. Zijn propagandistisch opgezet begrafenisritueel leidde tot nieuwe onrust.
Daarop liet Himmler op 22 februari 400 Joodse gijzelaars arresteren. De ongelukkigen, uitsluitend jonge mannen tussen 20 en 35 jaar, werden uit hun woningen gesleurd en met geweerkolven op het Jonas Daniël Meijerplein samengedreven. De Nederlandse bevolking, die zich solidair voelde met haar Joodse medeburgers, was verontwaardigd. Het verzet verspreidde pamfletten en riep op tot openbaar protest tegen deze willekeurmaatregel.
Op 25 februari gingen arbeiders, kantoorpersoneel en ambtenaren in Amsterdam onder de ogen van de Duitse bezetter in algemene staking. Zaandam, Hilversum, Utrecht en Rotterdam volgden dit voorbeeld. De Wehrmachtsbevelhebber in Nederland kondigde het krijgsrecht af over Amsterdam en riep de uitzonderingstoestand uit. Alle bekende arbeidersleiders werden gearresteerd, achttien verzetsmensen gefusilleerd en vele anderen opgesloten. Vier politiebataljons moesten worden ingezet om de staking neer te slaan. De Joodse gijzelaars kwamen in Buchenwald terecht en vandaar in Mauthausen, waar zij allen op beestachtige wijze werden doodgemarteld.
1. Joden die de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, is het verboden zich in het openbaar te vertonen zonder Jodenster.
2. De Jodenster bestaat uit een handgrote, zwart omrande zespuntige ster van gele stof met het zwarte opschrift ‘Jood ’. Hij moet zichtbaar op de linkerborstzijde van het kledingstuk stevig vastgenaaid worden gedragen.
Politieverordening betreffende de herkenning van de Joden van 1 september 1941
Het is de bedoeling vanaf half juli respectievelijk begin augustus van dit jaar in dagelijks rijdende speciale treinen van telkens 1000 personen aanvankelijk ongeveer 40.000 Joden uit het bezette Franse gebied, 40.000 Joden uit Nederland en 10.000 Joden uit België voor arbeidsinzet naar het kamp Auschwitz af te voeren. Ik verzoek hiervan kennis te nemen en ga ervan uit dat ook van de kant van het ministerie van Buitenlandse Zaken geen bezwaren tegen deze maatregel bestaan.
Eichmann, RSHA aan gezantschapsraad Rademacher, ministerie van Buitenlandse Zaken, 22 juni 1942
Protesteert tegen de afschuwelijke Jodenvervolging!
Organiseert de zelfverdediging in de bedrijven en stadsdelen!
Weest solidair met het zwaar getroffen Joodse deel van het werkende volk!
Onttrekt de Joodse kinderen aan het nazi-geweld, neemt hen in uw gezinnen op!
Staakt! Staakt! Staakt!
Weest solidair! Weest moedig!
Strijdt fier voor de bevrijding van ons land!
Illegaal Nederlands vlugschrift
SS-Obersturmführer Eichmann sprak eerst inleidend over de verdere evacuatie van 55.000 Joden uit het oude Rijk, de Ostmark en het protectoraat. Daarbij zouden onder meer Praag met 20.000 en Wenen met 18.000 te evacueren Joden het zwaarst bijdragen. Voor Düsseldorf was opnieuw een transport van 1000 Joden toegewezen. Van de voorbereidingen voor de evacuatie mogen de Joden onder geen beding kennis krijgen; absolute geheimhouding is daarom noodzakelijk. Daarna volgde een uitwisseling van ervaringen tussen die Stapo-posten die reeds evacuaties hadden uitgevoerd en andere die voor deze voor hen nieuwe taak stonden.
Verslag van een bespreking in het RSHA, Amt IV B 4, op 6 maart 1942
Kort daarna kwam Eichmann naar mij toe in Auschwitz. Hij wijdde mij in in de plannen van de acties in de afzonderlijke landen. Eerst zou Auschwitz in aanmerking komen voor Opper-Silezië en de aangrenzende delen van het Generalgouvernement. Tegelijk, en daarna afhankelijk van de situatie voortgezet, de Joden uit Duitsland en Tsjecho-Slowakije. Vervolgens het westen: Frankrijk, België, Nederland. De precieze volgorde kan ik mij niet meer goed herinneren. Hij noemde mij ook de geschatte aantallen van de te verwachten transporten, die ik echter niet meer kan noemen. Wij bespraken verder de uitvoering van de vernietiging. Daarvoor kwam alleen gas in aanmerking, want de te verwachten massa ’s door fusillades te doden was eenvoudig onmogelijk en ook een te zware belasting voor de SS-mannen die dat zouden moeten uitvoeren, met het oog op vrouwen en kinderen.
De commandant van Auschwitz in zijn aantekeningen
Het kamp Auschwitz heeft om begrijpelijke redenen opnieuw verzocht de te evacueren Joden vóór het transport op geen enkele wijze verontrustende mededelingen te doen over de aard van hun aanstaande inzet. Ik verzoek hiervan kennis te nemen en erop toe te zien dat door voortdurende instructie van de begeleidingscommando ’s ook tijdens de rit geen toespelingen worden gemaakt of vermoedens worden uitgesproken die bij de Joden bijzonder verzet zouden kunnen opwekken over hun onderbrenging enzovoort. Auschwitz moet, met het oog op de uitvoering van uiterst dringende arbeidsopdrachten, eraan hechten de overname van de transporten en hun verdere indeling zo geruisloos mogelijk te kunnen laten verlopen.
Telegram van het RSHA aan de bevelhebbers van de SIPO en de SD in Den Haag, Parijs, Brussel en Metz, 29 april 1943
Inmiddels zijn reeds 4000 staatloze Joden uit Drancy in transporttreinen van telkens 1000 personen naar het concentratiekamp Auschwitz afgevoerd. Tot eind juli zijn in totaal 13.000 Joden uit het bezette gebied van Frankrijk geëvacueerd. Tot eind augustus zullen 26.000 Joden Franse bodem hebben verlaten. Met toestemming van het Reichssicherheitshauptamt worden ook de Joodse kinderen mee afgevoerd. Het transportplan voor de maand september voorziet voorlopig eveneens in 13 treinen.
Mededeling aan de chef van de generale staf bij de militaire bevelhebber in Frankrijk, 30 juli 1942
In sommige landen lukte het de autoriteiten grotere deportaties te vermijden, zoals in Denemarken en Noorwegen, of ze ten minste lange tijd uit te stellen, zoals in Hongarije en Slowakije. Zweden, Zwitserland en enkele Amerikaanse staten verstrekten de vervolgden paspoorten en verklaarden hen tot hun staatsburgers om hen aan de greep van de Gestapo te onttrekken. Alleen al de Zweedse gezantschap in Boedapest verstrekte meer dan 15.000 beschermingsbrieven. Na de fascistische staatsgreep in oktober 1944, toen de Pijlkruisers bloedige pogroms uitvoerden, verklaarde Zweden veel Joodse huizen extraterritoriaal en redde zo het leven van hun bewoners.
Ook sommige met Hitler-Duitsland verbonden staten verzetten zich tegen de uitroeiingspolitiek. In Italië en in de door Italië bezette gebieden van Frankrijk en Joegoslavië vonden de vervolgden bescherming zolang de Duitse Wehrmacht daar nog niet was binnengerukt. Bulgarije leverde alleen de ‘staatloze ’ Joden uit de geannexeerde gebieden van Macedonië uit. Maar voor de meerderheid van de Joden in bezet Europa was er geen redding. De Duitse Joden hadden de langste lijdensweg en doorliepen alle stations. Zij stierven in de getto ’s vanŁódź en Theresienstadt, in de executiekuilen van Riga en Minsk en in de gaskamers van Auschwitz en Treblinka.
Voor mij blijft het allerbelangrijkste dat er nu zoveel Joden als menselijkerwijs mogelijk naar het oosten worden afgevoerd. In de korte maandrapporten van de Sicherheitspolizei wil ik alleen nog maar bericht krijgen over hoeveel er per maand zijn weggevoerd en hoeveel Joden er op dat moment nog overbleven.
Heinrich Himmler, 19 april 1943
Vernietigingskampen
Het vernietigingskamp
De concentratiekampen met hun talloze buitenkampen en nevencommando ’s spreidden zich als een reusachtig net over heel Duitsland uit. Zij waren vanuit elke grotere stad gemakkelijk te bereiken. Hun namen drongen overal ter wereld door: Dachau, Buchenwald, Mauthausen, Ravensbrück brachten de volkeren van Europa een nieuwe Duitse geografie bij. En overal in de bezette gebieden werden steeds nieuwe kampen opgericht. Er waren verschillende categorieën, verschillende graden van wreedheid, maar overal wachtten de gevangene beestachtige mishandeling, honger, ziekte, dwangarbeid en de dood. Mensen stierven van uitputting, werden vermoord of stortten zich uit wanhoop in het elektrisch geladen prikkeldraad.
Het monsterlijke programma van de ‘Endlösung ’ vereiste andere methoden. In Duitsland had men onder het voorwendsel van ‘euthanasie ’ al geesteszieken in luchtdichte kamers door gas verstikt. Nu werd deze methode op grote schaal toegepast. Op Poolse bodem ontstonden de vernietigingskampen waarin, op een opruimcommando na, geen gevangenen in leven bleven: Cheł mno, Bełżec, Sobibór en Treblinka. Hier werden mensen onmiddellijk na aankomst gedood. Er waren ook gecombineerde vernietigings- en concentratiekampen zoals Majdanek en vooral Auschwitz-Birkenau, het grootste dwangarbeidscomplex in Hitlers rijk en tegelijk het grootste mensenslachthuis, dat met vier crematoria een ‘dagcapaciteit ’ van meer dan 9000 vergaste en verbrande mensen bereikte.
Met de gaskamers werd de massamoord geïndustrialiseerd. Er kwamen meer mensen dan men ooit door fusillades had kunnen doden. De doodsfabrieken verslonden hen allen. En wie niet door gas verstikte, werd door arbeid gedood, en wie niet meteen stierf, stierf binnen enkele maanden. Degenen die bij de selectie als arbeidsgeschikt werden uitgekozen, wachtte een hel op aarde. Geen beelden en geen teksten kunnen ons lichamelijk laten voelen wat het betekent acht uur strafappèl te staan in gloeiende zon of tot 28 graden onderkoeld in smeltwater te staan; op de strafbok te worden gebonden of de ophanging van kameraden te moeten aanzien; met een van zwakte trillend lichaam zware cementzakken te sjouwen of tot vermaak van de opzichters kniebuigingen te maken — en daarbij te weten dat wie instort, doodgeslagen wordt.
Dit is de indirecte weg naar de dood: een leven onder de voortdurende dreiging van de rokende schoorstenen, nog even uitgeleend ten nutte van de uitleners. Officieel noemde men dat ‘vernietiging door arbeid ’. Voor drie Reichsmark per dag verhuurde de SS de gevangenen als goedkope arbeidskrachten aan de Silezische kolenmijnen en de verplaatste oorlogsindustrieën die zich als parasieten in de buurt van het kamp vestigden: Siemens-Schuckert, Krupp en vooral IG Farben, dat zelfs een eigen nevenkamp oprichtte. Vrouwen en mannen werkten tot zij lichamelijk bezweken — een moderne slavenmacht die haar ‘onbruikbaar ’ geworden gevangenen dagelijks aan de gaskamers afstond en voortdurend door nieuwe transporten werd aangevuld.
Zo werd moord een bedrijf. Het systeem van uitbuiting en benutting van de mens was sluitend. Men beroofde hem van zijn kostbaarheden en kleren, doodde zijn arbeidsongeschikte familieleden, gebruikte zijn arbeidskracht tot volledige fysieke uitputting of verminkte zijn lichaam met medische experimenten, trok zelfs nog het goud uit zijn tanden en gebruikte zijn as als meststof. Men doodde mensen afzonderlijk en wagonlading na wagonlading en hield boek van de moord, omdat men precies wilde weten wat men deed, omdat de meerderen het moesten weten en omdat men het ondenkbaar vond dat dit ooit een einde zou nemen.
Jarenlang rolden de transporten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zorgde voor diplomatieke afdekking naar buiten, de Gestapo organiseerde de mensenjacht, het verkeersministerie stelde de dienstregelingen op en de kampcommandant van Auschwitz bouwde steeds grotere vernietigingsinstallaties. Men leest de verslagen van de weinigen die dit inferno overleefden en de ongelooflijke notities van de moordenaars die hun getuigenissen bevestigen. Hoe meer men leest, hoe minder het te bevatten is. En toch reikt geen enkel verslag aan de werkelijkheid. De menselijke taal heeft er geen woorden voor.
Een ooggetuige bericht
De volgende dag reden wij naar Bełżec. Voor dit doel was aan een heuvel, vlak ten noorden van de grote weg Lublin-Lemberg, een klein speciaal station aangelegd. Ten zuiden van de weg stonden enkele huizen met het opschrift: ‘Sonderkommando Bełżec der Waffen-SS ’. Omdat de eigenlijke chef van alle moordinstallaties, politiehoofdman Wirth, nog niet aanwezig was, stelde Globocnik mij voor aan SS-Hauptsturmführer Obermeyer uit Pirmasens. Deze liet mij die middag alleen zien wat hij mij moest laten zien. Ik zag die dag geen doden, maar de hele streek stonk in de hete augustusmaand pestachtig en overal waren miljoenen vliegen. Dicht bij het kleine tweesporige station stond een grote barak, de zogeheten garderobe, met een grote waardeloketbalie. Daarna kwam een ruimte met ongeveer honderd stoelen, de kappersruimte. Dan een kleine open laan onder berken, rechts en links omheind met dubbel prikkeldraad, met borden: ‘Naar de inhalatie- en badruimten! ’ Voor ons een soort badhuis met geraniums, dan een paar treden en rechts en links telkens drie vertrekken van 5 bij 5 meter, 1,90 meter hoog, met houten deuren zoals garages. Op het dak, als een ‘geestige kleine grap ’, een Davidsster. Voor het gebouw stond het opschrift: ‘Hockenholt-Stiftung! ’ Meer kon ik die middag niet zien.
De volgende ochtend, kort voor zeven, kondigde men mij aan: ‘Over tien minuten komt het eerste transport! ’ Inderdaad kwam enkele minuten later de eerste trein uit Lemberg aan. Vijf-en-veertig wagons met 6700 mensen, van wie er bij aankomst al 1450 dood waren. Achter de getraliede openingen keken afschuwelijk bleke en angstige kinderen naar buiten, met ogen vol doodsangst, verder mannen en vrouwen. De trein reed binnen: tweehonderd Oekraïners rukten de deuren open en sloegen de mensen met leren zwepen uit de wagons. Een grote luidspreker gaf verdere instructies: alles uitkleden, ook prothesen en brillen; kostbaarheden afgeven aan het loket, zonder bon of ontvangstbewijs; schoenen zorgvuldig samenbinden, anders waren zij in de stapel van ruim 25 meter hoog nooit meer terug te vinden. Daarna vrouwen en meisjes naar de kapper, die met twee of drie knipslagen al hun haar afsneed en het in aardappelzakken liet verdwijnen. ‘Dat is voor speciale doeleinden voor de onderzeeërs bestemd, voor afdichtingen of iets dergelijks ’, zei een SS-Unterscharführer tegen mij.
Dan zette de stoet zich in beweging. Vooraan een beeldschoon jong meisje; zo gingen zij allemaal de laan in, geheel naakt, mannen, vrouwen, kinderen, zonder prothesen. Ikzelf stond met kapitein Wirth boven op de helling tussen de kamers. Moeders met hun zuigelingen aan de borst, zij komen naar boven, aarzelen, en stappen de doodskamers binnen. Bij de hoek staat een sterke SS-man die met pastorale stem tot de armen zegt: ‘Er gebeurt jullie helemaal niets! Jullie hoeven in de kamers alleen maar diep adem te halen, dat verwijdt de longen; deze inhalatie is nodig wegens ziekten en epidemieën. ’ Op de vraag wat er met hen zou gebeuren, antwoordt hij: ‘Ja natuurlijk, de mannen moeten werken, huizen en wegen bouwen, maar de vrouwen hoeven niet te werken. Alleen als zij willen, kunnen zij in de huishouding of in de keuken meehelpen. ’ Voor sommigen van deze armen was dit een klein sprankje hoop, voldoende om zonder verzet de paar stappen naar de kamers te gaan. De meerderheid wist echter wel beter; de geur vertelde hun het lot.
Zo gingen zij de kleine trap op, en dan zagen zij alles. Moeders met kinderen aan de borst, kleine naakte kinderen, volwassenen, mannen, vrouwen, allen naakt — zij aarzelen, maar zij treden de doodskamers binnen, voortgedreven door de anderen achter hen of door de leren zwepen van de SS. De meesten zonder een woord te zeggen. Een Joodse vrouw van ongeveer veertig jaar, met vlammende ogen, riep dat het bloed dat hier werd vergoten over de moordenaars zou komen. Zij kreeg van kapitein Wirth persoonlijk vijf of zes slagen met de rijzweep in het gezicht, en verdween ook in de kamer. Velen baden. Ik bad met hen mee, drukte mij in een hoek en schreeuwde luid tot mijn en hun God. Hoe graag was ik met hen de kamer ingegaan, hoe graag was ik hun dood mee gestorven. Dan hadden zij een geüniformeerde SS-officier in hun kamer gevonden — de zaak zou als een ongeluk zijn opgevat en ik zou stilletjes verdwenen zijn. Maar zover mocht het nog niet komen. Ik moest eerst nog verkondigen wat ik hier beleefde.
De kamers vulden zich. ‘Goed volstoppen ’, had kapitein Wirth bevolen. De mensen stonden elkaar op de voeten. Zevenhonderd tot achthonderd op 25 vierkante meter, in 45 kubieke meter. De SS perste hen fysiek samen, zover het maar ging. Dan sloten de deuren. Buiten stonden de anderen naakt te wachten. Nu pas begreep ik waarom de hele inrichting ‘Hockenholt-Stiftung ’ heette. Hockenholt was de chauffeur van de dieselmotor, een kleine technicus en tegelijk bouwer van deze installatie. Met de uitlaatgassen van de diesel zouden de mensen gedood worden. Maar de diesel werkte niet. Kapitein Wirth kwam eraan; men zag hem de schaamte aan dat dit juist vandaag gebeurde, nu ik erbij was. Ja, ik zag alles en ik wachtte. Mijn stopwatch registreerde alles nauwkeurig. Vijftig minuten, zeventig minuten — de diesel sloeg niet aan. De mensen wachtten in hun gaskamers. Vergeefs. Men hoorde hen huilen, snikken.
Kapitein Wirth sloeg de Oekraïner die de Unterscharführer Hockenholt bij de diesel moest helpen twaalf of dertien keer met zijn rijzweep in het gezicht. Na twee uur en negenenveertig minuten — de stopwatch had alles trouw geregistreerd — sloeg de diesel eindelijk aan. Tot dat ogenblik leefden de mensen in die vier kamers nog: viermaal 750 mensen in viermaal 45 kubieke meter. Weer verstreken er 25 minuten. Juist, velen waren nu dood. Dat was door het kleine raampje te zien, waarin elektrisch licht de kamers een ogenblik verlichtte. Na 28 minuten leefden er nog maar enkelen. Eindelijk, na 32 minuten, was alles dood.
Aan de andere kant openden mannen van het werkcommando de houten deuren. Hun was — zelf Joden — de vrijheid beloofd en een zeker promillage van alle gevonden kostbaarheden voor hun verschrikkelijke dienst. Als basaltzuilen stonden de doden rechtop, tegen elkaar geperst in de kamers. Er was ook geen plaats om te vallen of zelfs maar voorover te buigen. Zelfs in de dood herkende men nog families. Zij hielden ook in de dood nog verkrampt elkaars handen vast, zodat men moeite had hen van elkaar los te trekken om de kamers voor de volgende lading vrij te maken. Men gooide de lijken — nat van zweet en urine, bevuild met uitwerpselen, menstruatiebloed langs de benen — eruit. Kinderlijken vlogen door de lucht. Men had geen tijd. De rijzwepen van de Oekraïners suisden over de werkcommando ’s. Twee dozijn tandartsen openden met haken de mond en zochten naar goud. Goud links, geen goud rechts. Andere tandartsen sloegen met tangen en hamers de gouden tanden en kronen uit de kaken.
De naakte lijken werden op houten draagbaren slechts enkele meters verder naar kuilen van 100 bij 20 bij 12 meter gebracht. Na enkele dagen begonnen de lijken hoog op te gisten en vielen daarna korte tijd later sterk samen, zodat men er een nieuwe laag op kon werpen. Dan werd er tien centimeter zand overheen gestrooid, zodat alleen hier en daar nog hoofden en armen uitstaken. Ik zag op zo ’n plek Joden in de kuilen op de lijken klimmen en werken. Men vertelde mij dat per ongeluk de reeds dood aangekomenen van een transport niet waren ontkleed. Dat moest natuurlijk alsnog gebeuren, vanwege de textiel en kostbaarheden die zij anders mee het graf in namen. Noch in Bełżec, noch in Treblinka deed men enige moeite de gedoden te registreren of te tellen. De aantallen waren slechts schattingen op basis van het aantal mensen per wagon.
De volgende dag, 19 augustus 1942, reden wij met de auto van kapitein Wirth naar Treblinka, 120 km ten noordoosten van Warschau. De inrichting was ongeveer dezelfde, alleen veel groter dan in Bełżec. Acht gaskamers en ware bergen van koffers, textiel en wasgoed. Ter ere van ons werd in de gemeenschappelijke zaal, in typisch Himmlers oud-Duitse stijl, een banket gegeven. Het eten was eenvoudig, maar van alles was overvloedig aanwezig. Himmler zelf had bevolen dat de mannen van deze commando ’s zoveel vlees, boter en vooral alcohol moesten krijgen als zij wilden.
Daarna reden wij met de auto naar Warschau. Toen ik daar vergeefs probeerde een slaapwagon te krijgen, ontmoette ik in de trein de secretaris van de Zweedse gezantschap in Berlijn, baron von Otter. Nog geheel onder de indruk van de afschuwelijke gebeurtenissen vertelde ik hem alles, met het dringende verzoek dit onmiddellijk aan zijn regering en aan de geallieerden te melden, omdat elke dag vertraging nog eens duizenden en tienduizenden levens kon kosten. Ik ontmoette von Otter later nog tweemaal in de Zweedse gezantschap. Hij had inmiddels aan Stockholm gerapporteerd en vertelde mij dat dit bericht aanzienlijke invloed op de Zweeds-Duitse betrekkingen had gehad. Ik probeerde in dezelfde zaak ook verslag te doen aan de pauselijke nuntius in Berlijn. Daar werd mij gevraagd of ik militair was. Toen dat bevestigd werd, weigerde men ieder verder gesprek en werd ik verzocht de ambassade van Zijne Heiligheid te verlaten. Bij het weggaan werd ik door een politieman op de fiets gevolgd; hij reed mij kort voorbij, stapte af, maar liet mij om volstrekt onbegrijpelijke redenen toch gaan. Daarna heb ik dit alles aan honderden personen verteld, onder anderen aan de syndicus van de katholieke bisschop van Berlijn, dr. Winter, met het uitdrukkelijke verzoek het aan de Heilige Stoel door te geven.
Niederschrift van SS-Obersturmführer Kurt Gerstein, 4 mei 1945, in Rottweil
De commandant van Auschwitz verklaart
Ik, Rudolf Ferdinand Höß, verklaar na voorafgaande rechtsgeldige beëdiging als volgt:
1. Ik ben zesenveertig jaar oud en lid van de NSDAP sinds 1922; lid van de SS sinds 1934; lid van de Waffen-SS sinds 1939. Vanaf 1 december 1934 was ik lid van de SS-Wachverbände, de zogeheten Totenkopfverbände.
2. Sinds 1934 had ik onafgebroken te maken met het beheer van concentratiekampen en deed ik dienst in Dachau tot 1938; daarna als adjudant in Sachsenhausen van 1938 tot 1 mei 1940, op welke datum ik tot commandant van Auschwitz werd benoemd.
Ik voerde het bevel over Auschwitz tot 1 december 1943 en schat dat daar minstens 2.500.000 slachtoffers door vergassing en verbranding zijn geëxecuteerd en uitgeroeid; minstens een verdere half miljoen stierf door honger en ziekte, wat een totaal van ongeveer 3.000.000 doden oplevert. Dit cijfer vertegenwoordigt ongeveer 70 tot 80 procent van alle personen die als gevangenen naar Auschwitz werden gestuurd; de overigen werden geselecteerd en voor slavenarbeid in de industrieën van het concentratiekamp gebruikt. Onder de geëxecuteerden en verbranden bevonden zich ongeveer 20.000 Russische krijgsgevangenen. De rest van het totale aantal slachtoffers bestond uit ongeveer 100.000 Duitse Joden en een groot aantal inwoners, meestal Joden, uit Nederland, Frankrijk, België, Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Griekenland en andere landen. Ongeveer 400.000 Hongaarse Joden werden alleen al in de zomer van 1944 door ons in Auschwitz geëxecuteerd.
6. De ‘Endlösung van het Joodse vraagstuk ’ betekende de volledige uitroeiing van alle Joden in Europa. Ik kreeg in juni 1942 opdracht om in Auschwitz de voorwaarden voor die uitroeiing te scheppen. In die tijd bestonden er al drie andere vernietigingskampen in het Generalgouvernement: Bełżec, Treblinka en Wolzek. Deze kampen vielen onder de Einsatzkommandos van de Sicherheitspolizei en de SD. Ik bezocht Treblinka om vast te stellen hoe de vernietigingen daar werden uitgevoerd. De kampcommandant van Treblinka zei mij dat hij in de loop van een half jaar 80.000 mensen had geliquideerd. Hij had zich hoofdzakelijk beziggehouden met de liquidatie van alle Joden uit het getto van Warschau. Hij gebruikte koolmonoxidegas en vond zijn methoden niet erg doeltreffend. Toen ik dus het vernietigingsgebouw in Auschwitz liet bouwen, gebruikte ik Zyklon B, een gekristalliseerde cyaanwaterstof die wij via een kleine opening de doodskamer inwierpen. Het duurde 3 tot 15 minuten, afhankelijk van de klimaatomstandigheden, om de mensen in de doodskamer te doden. Wij wisten dat de mensen dood waren wanneer hun geschreeuw ophield. Gewoonlijk wachtten wij een half uur voordat wij de deuren openden en de lichamen verwijderden. Nadat de lichamen waren weggehaald, namen onze Sonderkommandos de ringen af en braken het goud uit de tanden van de lichamen.
7. Een andere verbetering ten opzichte van Treblinka was dat wij gaskamers bouwden die 2000 mensen tegelijk konden bevatten, terwijl de tien gaskamers in Treblinka telkens slechts 200 mensen opnamen. De wijze waarop wij onze slachtoffers selecteerden was als volgt: twee SS-artsen waren in Auschwitz belast met de controle van de binnenlopende gevangentransporten. De gevangenen moesten langs een van de artsen lopen, die tijdens het voorbijkomen door een handgebaar een beslissing nam. Degenen die voor arbeid geschikt werden geacht, werden naar het kamp gestuurd. De anderen werden onmiddellijk naar de vernietigingsinstallaties gestuurd. Kinderen van zeer jonge leeftijd werden zonder onderscheid vernietigd, omdat zij vanwege hun leeftijd niet konden werken. Nog een andere verbetering ten opzichte van Treblinka was dat de slachtoffers in Treblinka bijna altijd wisten dat zij vernietigd zouden worden, terwijl wij ons in Auschwitz inspanden om de slachtoffers te misleiden door hen te laten geloven dat zij een ontsmettingsprocedure moesten ondergaan. Natuurlijk herkenden zij onze werkelijke bedoelingen ook vaak en daarom hadden wij soms opstanden en moeilijkheden. Heel vaak wilden vrouwen hun kinderen onder hun kleding verbergen, maar als wij hen vonden, werden de kinderen vanzelfsprekend ook ter vernietiging doorgestuurd. Wij moesten deze vernietigingen geheim uitvoeren, maar de misselijkmakende stank van de voortdurende verbranding van lichamen drong de hele streek door, en alle mensen in de omliggende gemeenten wisten dat in Auschwitz vernietigingen plaatsvonden.
Beëdigde verklaring van kampcommandant Höß, 5 april 1946, in Neurenberg
Gevangenen verklaren
Kai Feinberg: Het transport van Stettin naar Auschwitz duurde drie dagen en drie nachten. Wij werden in veewagons vervoerd, ongeveer 45 personen — mannen, vrouwen en kinderen — inéén gesloten wagon. Gedurende die drie dagen en drie nachten kregen wij niets te eten en niets te drinken en het was ons niet toegestaan onze behoefte ergens anders dan in de wagon te doen. De wagon was afgesloten.
Marc Klein: Toen men onze wagon eindelijk opende, joegen SS ’ers en gevangenen in gestreepte pakken ons er bruut en onder stokslagen uit en dreven ons naar het uiterste einde van de rampe. De mannen werden van vrouwen en kinderen gescheiden, waarbij hartverscheurende scènes ontstonden. In razend tempo passeerden wij de controle van een SS-arts, die ons door tekens met zijn stok in twee groepen verdeelde. Al snel bestond mijn groep uit ongeveer 200 mensen, meestal jonge mannen en mensen die bijzonder gezond leken. Wij moesten in rijen van vijf gaan staan en begonnen toen de mars naar het vier kilometer verderop gelegen Auschwitz. Het duurde weken en maanden voordat wij langzaam begonnen te begrijpen dat de indeling op de rampe van Birkenau slechts het voorspel tot de totale vernietiging vormde, en dat met uitzondering van jonge, gezonde vrouwen zonder uitzondering allen die wij op de rampe achterlieten nog dezelfde dag werden vergast en verbrand.
Marie Claude Vaillant-Couturier: Daarna werden wij naar het blok gebracht waar wij moesten wonen. Er waren geen bedden, slechts houten britsen van twee bij twee meter, waarop wij met negen vrouwen zonder strozakken en zonder dekens tijdens de eerste nacht moesten slapen. Verschillende maanden verbleven wij in zulke blokken. Gedurende de hele nacht kon men niet slapen, want telkens als een van die negen vrouwen zich bewoog, stoorde zij de anderen, en omdat allen ziek waren gebeurde dat onophoudelijk. Om 3.30 uur ’s morgens werden wij gewekt door het geschreeuw van de bewaaksters. Onder stokslagen werden wij van de britsen gejaagd en naar het appèl gedreven. Niets ter wereld kon ons van dit appèl ontslaan. Zelfs de stervenden moesten erheen worden gesleept. Daar stonden wij in rijen van vijf tot het dag werd, dat wil zeggen tot 7 of 8 uur ’s morgens in de winter, en als het mistig was soms tot de middag. Daarna trokken de commando ’s naar hun werk. Het werk in Auschwitz bestond uit het ruimen van verwoeste huizen, wegenbouw en vooral het droogleggen van moerassen. Gedurende de hele werktijd hielden mannelijke en vrouwelijke SS-opzichters ons in de gaten en sloegen ons met knuppels of joegen hun honden op ons af. Bij veel kameraadjes werden de benen door de honden aan flarden gereten.
Noack Treister: Een commando van 100 man verloor dagelijks ongeveer 10 gevangenen. De gevangenen stierven aan ondervoeding, aan de gevolgen van bedrijfsongevallen enzovoort. De voeding was slecht en de kleding ontoereikend. Mogelijkheden om zich te wassen en zeep om de kleding schoon te houden waren er niet. Het ondergoed dat ik uitdeelde kwam van de vergasten in Birkenau.
Gregoire Afrine: Er waren altijd openbare ophangingen. Ik herinner mij gemiddeld twee tot drie ophangingen per week. De voorwendsels waren nietig. Ik herinner mij het geval van een jonge Fransman die zich juist zijn zeventiende verjaardag naderde. Om op een of andere manier iets te vieren, had hij een stuk brood en een half blik marmelade weten te bemachtigen. Hij werd door de SS betrapt en opgehangen. De strafvoltrekkingen waren openbaar en het vonnis werd vóór de uitvoering in het Duits en in de moedertaal van de veroordeelde voorgelezen. De galg werd op de grote verzamelplaats, die voor het appèl was bestemd, opgericht.
Robert Levy: Hoe lang mocht men rekenen op uitstel van de dood? In Birkenau bedroeg dit uitstel voor een gevangene die in het werkcommando werkte twee tot drie maanden. Na afloop van die termijn zag hij eruit als een skelet. De vuistslag van een SS-man of een knuppelslag van een opzichter was dan genoeg om hem zo ver te breken dat hij bij de volgende ‘selectie ’ onvermijdelijk werd meegenomen.
Dwangarbeid voor de grootindustrie
Ter gelegenheid van een avondmaal dat de leiding van het concentratiekamp ons aanbood, hebben wij verder alle maatregelen vastgelegd die de inschakeling van het werkelijk voortreffelijke bedrijf van het concentratiekamp ten gunste van de Buna-fabrieken betreffen.
Dr. Otto Ambros, bestuurslid van IG Farben, Ludwigshafen, aan de directie, 12 april 1941
Eind 1941 werd aan de raad van bestuur van IG Farben door de Buna-fabriek Auschwitz (via Ambros en Bütefisch) uit doelmatigheidsoverwegingen de bouw van het concentratiekamp Monowitz op het terrein van IG Auschwitz voorgesteld. De kostenraming voor de bouw van kamp Monowitz werd aan het Technisch Comité en vandaar aan de raad van bestuur overhandigd en door die laatste goedgekeurd. De Buna-fabriek Auschwitz was niet alleen verantwoordelijk voor de huisvesting, maar ook voor de voeding en de bewaking van de concentratiekampgevangenen op hun werkplek.
Karl Krauch, voorzitter van de raad van toezicht van IG Farben, in het IG-Farben-proces
Wij werden ondergebracht in het speciale concentratiekamp Monowitz. De omstandigheden waren ondraaglijk. Op de eerste werkdag, de avond voor Kerstmis, 24 december 1942, moesten wij zonder eten doorwerken tot 3 uur ’s morgens van 25 december. Ons werk bestond uit het uitladen van wagons, ijzeren staven, cementzakken en zware ovens. Op 5 januari 1943 was mijn vader al zo verzwakt dat hij, toen hij in looppas een cementzak van 50 kilo moest dragen, voor mijn ogen instortte. Ik wilde hem helpen, maar werd door een SS-man met een stok geslagen en teruggeduwd. Een broer van mijn vader verwondde zich tijdens het werk aan de arm en werd vergast. De tweede broer van mijn vader stierf ongeveeréénà twee weken na de dood van mijn vader uit zwakte in Buna tijdens het werk. Ikzelf hield het werk vol tot 15 januari 1943; toen kreeg ik longontsteking en werkte daarna weer van 15 februari tot eind februari. Toen werd ik arbeidsongeschikt verklaard, omdat ik niet meer kon lopen, en voor vergassing bestemd. Toevallig kwam er die dag echter geen vrachtwagen die naar de gaskamers reed naar de Buna-fabriek, en daarom werd ik teruggebracht naar het concentratiekamp Auschwitz.
Kai Feinberg, voormalig gevangene, in het proces van Neurenberg
Selecties vonden iedere 3 tot 6 weken plaats, behalve in de ziekenbarak van Monowitz, op het appèlterrein en bij de poort van Monowitz wanneer de gevangenen naar buiten marcheerden. De geselecteerde gevangenen werden op een open vrachtwagen gegooid — zonder schoenen en zonder ondergoed, ook in de winter — en afgevoerd. Zulke gevangenen verzetten zich vaak en schreeuwden. Zulke wagens moesten soms door het IG-fabrieksterrein rijden.
Leon Staischak, voormalig gevangene, in het proces van Neurenberg
Buna (Monowitz) zelf telde ongeveer 10.000 gevangenen. In het schrijfbureau van Monowitz bevond zich een kaartensysteem van alle gevangenen die tussen oktober 1942 en de opheffing van het kamp in januari 1945 door Monowitz of zijn nevenkampen waren gegaan. Het kaartenbestand van de doden was onvergelijkelijk veel groter dan dat van de levenden. Ik schat — en ik herhaal dat ik lange tijd hoofd van het schrijfbureau was — dat tegenover een levende bezetting van Buna (Monowitz) van ongeveer 10.000 gevangenen uiteindelijk een dodental van ongeveer 120.000 gevangenen stond en tegenover het totaal van 35.000 in de nevenkampen een geschat dodental van 250.000.
Dr. Gustav Herzog, voormalig gevangene, in het proces van Neurenberg
De boekhouding van de dood
Reichssicherheitshauptamt — dringend geheim
In het kader van de tot 30 januari 1943 bevolen versnelde aanvoer van arbeidskrachten naar de concentratiekampen kan op het gebied van de Joodse sector als volgt worden gehandeld:
1. Totaal aantal: 45.000 Joden.
2. Begin van de transporten: 11 januari 1943. Einde van de transporten: 31 januari 1943. (De Reichsbahn is in de periode van 15 december 1942 tot 10 januari 1943 vanwege het versterkte verlofverkeer van de Wehrmacht niet in staat speciale treinen voor de evacuering beschikbaar te stellen.)
3. Verdeling: 30.000 Joden uit het district Białystok; 10.000 Joden uit het getto Theresienstadt, daarvan 5.000 arbeidsgeschikte Joden die tot dusver voor kleinere werkzaamheden in het getto werden gebruikt en 5.000 in het algemeen arbeidsongeschikte, ook boven de 60 jaar oude Joden, om bij die gelegenheid de voor de uitbreiding van het getto te hoge kampbezetting van 48.000 wat te verminderen; hiervoor wordt om speciale toestemming verzocht. Daarnaast 3.000 Joden uit de bezette Nederlandse gebieden en 2.000 Joden uit Berlijn. Totaal 45.000. In dit aantal van 45.000 is de arbeidsongeschikte aanhang (oude Joden en kinderen) inbegrepen. Bij toepassing van een doelmatige maatstaf leveren de in Auschwitz aangekomen Joden na selectie ten minste 10.000 tot 15.000 arbeidskrachten op.
De chef van de Sicherheitspolizei en de SD, namens hem getekend Müller, SS-Gruppenführer
WV-Hauptamt, 8 maart 1943 — Betreft: aftransport van Joodse bewapeningsarbeiders
Op 5 en 7 maart kwamen de volgende Joodse gevangentransporten aan:
Transport uit Berlijn, aangekomen 5 maart 1943, totale sterkte 1128 Joden. Voor arbeidsinzet werden toegewezen 389 mannen (Buna) en 96 vrouwen. ‘Speciaal behandeld ’ werden 151 mannen en 492 vrouwen en kinderen.
Transport uit Breslau, aangekomen 5 maart 1943, totale sterkte 1405 Joden. Voor arbeidsinzet werden toegewezen 406 mannen (Buna) en 190 vrouwen. ‘Speciaal behandeld ’ werden 125 mannen en 684 vrouwen en kinderen.
Transport uit Berlijn, aangekomen 7 maart 1943, totale sterkte 690 inclusief 25 beschermingsgevangenen. Voor inzet werden toegewezen 153 mannen en 25 beschermingsgevangenen (Buna) en 65 vrouwen. ‘Speciaal behandeld ’ werden 30 mannen en 417 vrouwen en kinderen.
get. Schwarz — Obersturmführer
Ik werd op 8 maart 1943 samen met mijn vrouw en mijn driejarige zoon in Berlijn bij de laatste grote actie tegen de Joden door de SS gearresteerd en na een meerdaags verblijf in het verzamelkamp aan de Große Hamburger Straße samen met mijn gezinsleden naar concentratiekamp Auschwitz gedeporteerd. Bij aankomst op de rampe van Auschwitz werd ik van mijn vrouw en mijn kind gescheiden en heb ik hen sinds die dag nooit meer teruggezien. Het gehele transport uit Berlijn bestond uit ongeveer 1000 personen; daarvan werden ongeveer 220, meestal jongere, arbeidsgeschikte mannen, uitgesorteerd en met vrachtwagens van de rampe van Auschwitz naar concentratiekamp Monowitz gebracht.
Norbert Wollheim, voormalig gevangene
Door deze poort reden jarenlang de deportatietreinen uit alle steden van Europa. Zij waren allemaal tot barstens toe gevuld met mensen, en allemaal reden zij leeg terug.
Het transport dat ik zag bestond uit Poolse Joden. Zij hadden dagenlang geen water gekregen. Toen de deuren van de goederenwagons werden geopend, kregen wij bevel hen onder luid geschreeuw naar buiten te jagen. Zij waren volledig uitgeput en ongeveer honderd waren al tijdens de reis gestorven. De overlevenden moesten in rijen van vijf aantreden. Onze taak bestond erin de lijken, de stervenden en de bagage uit de wagons te halen. De lijken — en daartoe rekende men ieder die niet meer rechtop kon staan — werden opéén hoop gegooid. Bagagestukken en pakketten werden verzameld en opgestapeld. Daarna moesten de spoorwegwagons grondig worden schoongemaakt, zodat geen spoor van hun afschuwelijke lading meer zichtbaar was.
Verslag van een gevangene
Op 21 oktober 1944 kon niets ons meer helpen. Wij kwamen in Auschwitz aan. Dicht opeengepakt en half gestikt reden wij in gesloten wagons. Iedereen nam afscheid van elkaar, want wij wisten dat daar de ovens op ons wachtten. Hoewel wij er vaak over spraken, kon niemand zich werkelijk voorstellen hoe het zou zijn. Toen wij ’s avonds in Auschwitz aankwamen, dreef men ons naar Birkenau. Al van verre zagen wij de hemel rood als bij een brand. Dat mensen zó zouden branden, konden wij ons niet voorstellen, hoewel wij al veel hadden meegemaakt. Uit de schoorstenen kwam geen rook, alleen vuurregen. De mensen vroegen de bewakers wat daar brandde, en die antwoordden dat er brood gebakken moest worden. Dag en nacht. Maar wij wisten dat dat niet waar kon zijn.
Verslag van Giza Landau
De wijze waarop wij onze slachtoffers selecteerden was als volgt: twee SS-artsen waren in Auschwitz belast met het onderzoeken van de binnenkomende gevangentransporten. De gevangenen moesten langs een van de artsen lopen, die tijdens het passeren met een gebaar de beslissing nam. Degenen die voor arbeid geschikt werden geacht, werden het kamp ingestuurd. De anderen werden onmiddellijk naar de vernietigingsinstallaties gestuurd. Kinderen van zeer jonge leeftijd werden zonder onderscheid vernietigd, omdat zij door hun jeugd niet konden werken.
Rudolf Höß
Heren, als er ooit na ons een generatie zou komen die zo slap en week is dat zij onze grote taak niet begrijpt, dan is het hele nationaalsocialisme vergeefs geweest. Ik ben integendeel van mening dat men bronzen platen zou moeten verzinken waarop is vastgelegd dat wij de moed hebben gehad dit grote en zo noodzakelijke werk uit te voeren.
Odilo Globocnik
Al in 1942 was Kanada I niet meer in staat de sortering bij te houden. Ondanks telkens nieuw gebouwde extra loodsen en barakken, ondanks dag- en nachtwerk van de sorterende gevangenen en voortdurende versterking van deze commando ’s, stapelde de nog ongesorteerde bagage zich op, hoewel dagelijks meerdere wagons, vaak tot twintig, met gesorteerd materiaal werden geladen. In 1942 begon men met de opbouw van het effectenkamp Kanada II. Nauwelijks waren de dertig barakken geplaatst, of zij waren al vol. Bergen ongesorteerde bagage torenden zich tussen de barakken op.
Rudolf Höß
Plotseling hoorde ik in de verte luide angstkreten en geroep uit honderden kelen. Het lawaai kwam dichterbij, nam dan weer af en stierf weg. Na enkele minuten naderde het opnieuw van dezelfde kant en verstomde in de tegenovergestelde richting. Ik stond op en ging naar de deur. Ik zag een open vrachtwagen na de andere van het station naar het kamp rijden. Elke wagen zat zo vol als maar kon — voor zover ik kon zien met vrouwen en kinderen, die hun armen naar de hemel uitstrekten. Ik liep door de barak naar de tegenoverliggende deur en zag hoe de vrachtwagens in de richting van het crematorium verdwenen. Nauwelijks vijftien minuten later begon de schoorsteen dikke zwarte, zoetig ruikende rookwolken uit te spuwen, die zwaar over het kamp hingen. Een heldere vlam schoot twee meter hoog op. Al snel werd de stank van verbrand vet en haar ondraaglijk. En nog altijd reden de vrachtwagens voorbij, steeds dezelfde weg langs. Wij telden zestig ritten in die nacht. Kort nadat de laatste auto verdwenen was, kwamen de eerste vrachtwagens terug, beladen met de bagage en de kleren van de doden, die zij naar het depot brachten.
Verslag van Ella Lingens-Reiner
In de vroege zomer van 1944, toen dagelijks tot zes treinen aankwamen, moesten de veroordeelden vaak een hele dag voor de gaskamers wachten tot zij aan de beurt waren. Het ‘Sonderkommando ’, dat de kamers moest leegmaken en de gedoden wegbrengen, werd tot 800 man uitgebreid. Nog eens 700 gevangenen waren ingezet om de bagage van de vergasten te sorteren. De reusachtige installaties van de vernietigingskampen werden door de SS nog vóór het einde van de oorlog opgeblazen. Alleen in Majdanek bleven gaskamers en crematoria bewaard.
Globocnik wendde zich uitsluitend tot mij en zei: ‘Het is uw taak in het bijzonder de desinfectie van de zeer omvangrijke hoeveelheid textiel uit te voeren. Die hele textielinzameling is toch alleen maar doorgevoerd om de herkomst van het kledingmateriaal voor de oostarbeiders enzovoort te verklaren en het voor te stellen als resultaat van de offers van het Duitse volk. In werkelijkheid bedraagt de opbrengst van onze installaties het tien- tot twintigvoudige van de hele textielinzameling. ’ Ik heb daarna met de meest capabele firma ’s de mogelijkheid besproken zulke hoeveelheden textiel — alleen al een opgelopen voorraad van ongeveer 40 miljoen kilogram, gelijk aan zestig complete goederentreinen — in de bestaande wasserijen en desinfectie-inrichtingen te behandelen. Maar het was volkomen onmogelijk zulke grote opdrachten onder te brengen. Ik heb al die gesprekken benut om de feiten van de Jodenmoord op handige wijze bekend te maken of althans te laten doorschemeren.
Verslag van Kurt Gerstein
Gezonde jonge mensen werden voor dwangarbeid het kamp binnengevoerd. Vrouwen zowel als mannen moesten de zwaarste arbeid verrichten. Zij sjouwden zware lasten, bouwden fabrieken en wegen, velden bomen en legden moerassen droog. Zij leefden in primitieve houten barakken onder ondraaglijke hygiënische omstandigheden, zonder voldoende voedsel en zonder medicijnen, in voortdurende angst voor de SS-opzichters. Door honger en overbelasting vernietigd crepeerden zij na enkele maanden in een ziekenbarak of werden zij bij een van de voortdurende ‘naselecties ’ voor de gaskamer bestemd.
SS-artsen misbruikten de gevangenen voor wrede experimenten, injecteerden hen malaria, tyfus en kanker, brachten hun fosforverbrandingen toe en verminkten hun ledematen. In Dachau werden proefpersonen in onderdrukkamers onderkoeld en daarna ontleed om het resultaat vast te stellen. Maar het meest voorkomende ‘experiment ’ heette honger, totdat de slachtoffers eruitzagen als de dertigjarige Margit Schwarz uit Boedapest.
Voedingstoestand van de gevangenen: het eten is goed en voldoende. Bereidingstoestand onberispelijk, schoon en smakelijk.
SS-Untersturmführer Schwarz
Hitler heeft de Joden niet alleen vermoord. Hij had vele bewonderaars, vele helpers, vele beschermers. Men kan ze niet allemaal opsommen. Dit zijn vier moordenaars van wie de namen bekend zijn: Heydrich, chef van de SIPO en de SD; Eichmann, leider van het Jodenreferaat van de Gestapo; Höß, commandant van Auschwitz; en Kramer, zijn latere opvolger.
In de zomer van 1944, toen zelfs de grote crematoria van Auschwitz niet meer toereikend waren, verbrandde men de lijken in grote kuilen onder de open hemel. Ononderbroken, dag en nacht, werden de mensen de gaskamers ingedreven. Deze twee foto ’s werden door David Szmulewski, een lid van de illegale verzetsorganisatie, heimelijk opgenomen en uit het kamp gesmokkeld. De fotograaf van de vrouwen in Treblinka die, met hun kinderen op de arm, de gaskamers ingaan, is niet bekend.
U zult zich de Rijksdagzitting nog herinneren waarin ik verklaarde: als het Jodendom zich soms zou inbeelden een internationale wereldoorlog tot uitroeiing van de Europese rassen te kunnen ontketenen, dan zal het resultaat niet de uitroeiing van de Europese rassen zijn, maar de uitroeiing van het Jodendom in Europa. U hebt mij altijd als profeet uitgelachen. Van degenen die toen lachten, lachen er ontelbaren nu niet meer. En wie nu nog lacht, zal misschien over enige tijd ook niet meer lachen. Deze golf zal zich over Europa heen over de hele wereld uitbreiden.
Hitler, 8 november 1942
Verzet, bevrijding en balans
Verzet
Men heeft vaak de gelatenheid bewonderd waarmee de Joodse mensen de dood ingingen. Maar als er iets bewonderenswaardig is, dan is het de onbuigzame levenswil van de vervolgden in een jarenlange heroïsche strijd, waarin elke dag die men aan de dood wist af te persen en elk stuk brood voor de kinderen een gewonnen slag was op de moordenaars die hun dood al hadden besloten.
Velen die een razzia in hun schuilplaats overleefden of uit de getto ’s wisten te breken, die aan de executiecommando ’s ontkwamen of uit de dodentreinen sprongen, gingen de bossen in naar de partizanen. Maar zelfs in de getto ’s en kampen namen mensen de strijd op. Symbool voor alle moed en alle offers is de heldhaftige opstand van het getto van Warschau tegen de definitieve liquidatie in april 1943, waarover de SS ons zelf een geïllustreerd verslag heeft nagelaten.
Na de grote deportaties van de zomer van 1942 was in het ontvolkte getto tijdelijk rust teruggekeerd. Lange tijd klampten de achterblijvers zich vast aan iedere, hoe zwakke ook, hoop. Het bericht dat alle gedeporteerden — een hele stad vol mensen — waren gedood, leek hun te krankzinnig om geloofwaardig te zijn. Het duurde lang voordat de mensen begrepen welk einde hen zonder uitzondering wachtte.
In januari 1943, toen de deportaties werden hervat, kwam het tot de eerste gewapende uitbraak. Himmler beval het getto af te breken. De Joodse verzetsorganisatie riep de ter dood veroordeelden tot strijd op. Heimelijk, ’s nachts, groeven de mensen diepe gangen in de aarde. In koortsachtige arbeid werden primitieve ondergrondse bunkers gebouwd, die vrouwen en kinderen tegen de mensenjagers moesten beschermen.
Op 19 april braken de SS-stormtroepen het getto binnen. Zij stuitten op verbitterd verzet. Heroïsch verdedigde de jeugd van het getto het leven van haar weerloze moeders en broers en zusters. Bijna zonder wapens, met de kracht van de wanhoop, vocht zij met de SS om iedere straat, ieder huis en iedere kelder. Achtentwintig dagen en nachten duurde de slag. Voor de meesten eindigde die met de dood.
Allen die niet in het gevecht vielen, werden naar Treblinka en de gaskamers gesleept. Slechts weinigen ontkwamen uit die brandende ketel. Maar de opstand bewees onderdrukkers en onderdrukten dat zelfrespect en menselijke waardigheid ook te midden van moord en brutaliteit niet geheel kunnen worden uitgeroeid. In de getto ’s van Białystok en Częstochowa volgde men het Warschause voorbeeld. Zelfs in de vernietigingskampen Treblinka en Sobibór kwamen bloedige opstanden voor, en in Auschwitz-Birkenau staken moedige gevangenen zelfs een crematorium in brand.
De Joden stonden niet alleen in deze strijd. In Frankrijk deden jonge mensen uit solidariteit de gele ster om. In Nederland gingen arbeiders in staking uit protest tegen de deportaties. In elk land, ook in Duitsland, vonden zich moedige individuen, priesters en arbeiders, ambtenaren en officieren, die opkwamen voor de vervolgden of hen onder levensgevaar voor het eigen gezin opnamen.
Er waren helden als de veldwebel Anton Schmidt, die in Wilna duizenden Joden van de executie redde, de fabrikant Oskar Schindler in Krakau, die zijn Joodse dwangarbeiders aan het einde van de oorlog in veiligheid bracht, of die Stubenälteste in Auschwitz die een groep van 158 Joodse kinderen in zijn woonblok verborg. In Berlijn waren er moedige vrouwen die openlijk demonstreerden voor de vrijlating van hun Joodse mannen, en een domproost Lichtenberg die in zijn kerk bad ‘voor de Joden en de arme gevangenen in de concentratiekampen ’.
En er was het naamloze leger van de Europese resistance, dat in alle landen tegen het systeem van de gaskamers die wanhopige, stomme strijd voerde waarvoor geen onderscheidingen bestonden, maar alleen de valbijl, de galg of het concentratiekamp. Overal waar de vervolging begon, rees verzet op. Het was niet sterk genoeg om de massamoord te stoppen, maar het kon haar wel vertragen. Het sloeg bressen in de rijen van de moordenaars en rukte hun afzonderlijke slachtoffers uit handen. Bovenal ging er een morele kracht van uit, omdat het liet zien dat de macht van de vijand niet onbeperkt was en dat zij een einde zou vinden.
Opstand en vernietiging van het getto van Warschau
Uit de dagrapporten van SS-generaal Stroop
19 april 1943. Afsluiting van het getto vanaf 3.00 uur. Om 6.00 uur inzet van de Waffen-SS in de sterkte 16/850 voor het doorzoeken van het restgetto. Onmiddellijk na het aantreden werden de eenheden onder zwaar, planmatig vuur genomen door Joden en ‘bandieten ’. Er werd bereikt dat de tegenstander zich van de daken en hogere steunpunten naar de kelders, bunkers en riolen terugtrok. Bij de doorzoeking werden slechts ongeveer 200 Joden gegrepen. Daarna werden stoottroepen op bekende bunkers ingezet met de opdracht de inzittenden eruit te halen en de bunkers te vernietigen. Door deze maatregelen werden ongeveer 380 Joden gegrepen. Het verblijf van Joden in het riool werd vastgesteld. Volledige onderwaterzetting werd uitgevoerd om verblijf daar onmogelijk te maken.
20 april 1943. De in het onbewoonde, nog niet vrijgegeven getto vastgestelde weerstandsnesten werden door een gevechtsgroep van de Wehrmacht — pioniers en vlammenwerpers — neergeslagen. De ingezette 10-centimeter-houwitser heeft de benden uit hun sterke verdedigingswerken verdreven en, voor zover kon worden vastgesteld, hun ook verliezen toegebracht. Wegens invallende duisternis moest de actie worden afgebroken.
21 april 1943. De brandstichting had in de loop van de nacht tot gevolg dat de Joden die zich, ondanks alle zoekacties, nog onder de daken, in de kelders en andere schuilhoeken verborgen hielden, zich aan de buitengevels van het huizenblok vertoonden om op een of andere manier aan het vuur te ontkomen. In massa ’s — hele families — sprongen de Joden, al door het vuur gegrepen, uit de ramen of probeerden zich met aan elkaar geknoopte lakens naar beneden te laten zakken. Er was voor gezorgd dat zowel zij als de andere Joden onmiddellijk werden geliquideerd.
22 april 1943. Helaas kon niet worden verhinderd dat een deel van de bandieten en Joden zich in de riolen onder het getto ophield en bijna niet te grijpen was, omdat de onderwaterzetting van die riolen was onderbroken. De stadsadministratie was niet in staat dit te verhelpen. Het gebruik van rookbommen en het vermengen van water met creosoot had evenmin het gewenste effect. Samenwerking met de Wehrmacht voorbeeldig.
23 april 1943. De hele actie wordt bemoeilijkt door de uiterst geraffineerde methoden van Joden en bandieten. Zo werd vastgesteld dat in lijkwagens waarmee rondliggende doden werden verzameld, tegelijkertijd levende Joden naar de Joodse begraafplaats werden vervoerd om zo buiten het getto te ontsnappen. Door voortdurende controle van de lijkwagens werd ook deze vluchtroute afgesloten. Voor overbrenging uit de bedrijven werden vandaag 3500 Joden gegrepen. Tot op heden in totaal voor overbrenging gegrepen respectievelijk reeds afgevoerd: 19.450 Joden. Van deze Joden zijn er op dit moment nog ongeveer 2500 te laden. De volgende trein vertrekt op 24 april 1943.
24 april 1943. Om 18.15 uur drong de gevechtsgroep, na afzetting van het gebied, de gebouwen binnen en stelde de aanwezigheid van een groot aantal Joden vast. Omdat die Joden grotendeels verzet boden, gaf ik bevel tot uitbranden. Pas nadat de hele straat en aan beide zijden alle binnenplaatsen in heldere vlammen stonden, kwamen de Joden gedeeltelijk brandend uit de huizenblokken tevoorschijn of probeerden zich door sprongen uit ramen en balkons op straat te redden, waarop zij tevoren bedden, dekens en andere voorwerpen hadden geworpen. Steeds weer kon worden waargenomen dat Joden en bandieten ondanks de grote brand liever het vuur weer in gingen dan in onze handen te vallen.
25 april 1943. Als het voormalige getto gisteravond door een gloed werd overgoten, is vanavond een reusachtige vuurzee te zien. Omdat bij de planmatige en regelmatige doorzoekingen telkens opnieuw grote aantallen Joden worden opgespoord, wordt de actie op 26 april voortgezet. Begin 10.00 uur. Met de dag van vandaag werden in totaal 27.464 Joden van het voormalige getto van Warschau gegrepen.
26 april 1943. Het blijkt steeds meer dat nu de taaiste en meest weerbare Joden en bandieten aan de beurt zijn. Herhaaldelijk werden bunkers met geweld geopend waarvan de inzittenden sinds het begin van de actie niet meer aan de oppervlakte waren verschenen. Volgens verklaringen van gevangengenomen Joden zouden in de bunkers grotere aantallen inzittenden door hitte, rook en de ontploffingen krankzinnig zijn geworden. Vandaag: 30 Joden overgebracht, 1330 Joden uit bunkers gehaald en onmiddellijk vernietigd. 362 Joden in de strijd doodgeschoten. Totaal vandaag: 1722 Joden. Daarmee steeg het totale aantal gegrepen Joden tot 29.186. Bovendien zijn met grote waarschijnlijkheid in de 13 opgeblazen bunkers en door branden ontelbare Joden omgekomen.
27 april 1943. Door in de riolering afgedaalde SS ’ers werd vastgesteld dat de lijken van omgekomen Joden in grote aantallen door het water werden weggespoeld.
28 april 1943. Resultaat van de dag: 1655 Joden voor overbrenging gegrepen, daarvan 110 in de strijd doodgeschoten. Verder verbrandden veel Joden in het vuur of werd een onbekend aantal Joden door ontploffingen in afzonderlijke bunkers vernietigd. Door de successen van vandaag steeg het totaal aantal gegrepen respectievelijk vernietigde Joden tot 33.401. In dit cijfer zijn de verbrande en in bunkers vernietigde Joden niet meegerekend.
29 april 1943. Enkele rioolschachten werden opgeblazen. Twee buiten het getto vastgestelde uitgangen werden eveneens door opblazing of inmetseling onbruikbaar gemaakt. Uit verklaringen van verschillende bunkerbezettingen blijkt dat deze Joden al tien dagen niet meer naar buiten zijn gekomen en dat hun door de lange duur van de grote actie nu levensmiddelen en dergelijke opraken.
30 april 1943. In totaal werden vandaag 1599 Joden gegrepen, daarvan 179 in de strijd doodgeschoten. Daarmee stijgt het totaal aantal tot nu toe gegrepen Joden tot 37.359. Vandaag werden 3855 Joden ingeladen. Onder de in de laatste dagen gegrepen Joden is het aantal gewapenden aanzienlijk gestegen.
1 mei 1943. Een groter aantal gegrepen Joden werd uit de riolering gehaald. Het systematisch opblazen respectievelijk dichtmaken van de riooluitgangen werd voortgezet. Een stoottroep stelde vast dat in een hoofdriool onder het getto een niet te bepalen aantal lijken dreef.
2 mei 1943. Doorzoeking van het gehele gebied van het voormalige getto door negen stoottroepen, daarnaast inzet van een grotere afdeling voor het zuiveren respectievelijk vernietigen van een huizenblok rond de beide bewapeningsbedrijven Transavia en Wischniewski. Bij de vernietiging van dit blok werden 120 Joden gegrepen en ontelbare Joden, die als gevolg van de brand van de bovenverdiepingen op de binnenplaatsen sprongen, omgebracht. Verder kwamen veel Joden in de vlammen om of werd een ander aantal door opblazing van bunkers en rioolopeningen vernietigd.
3 mei 1943. In de meeste gevallen boden de Joden met het wapen in de hand verzet vóór zij de bunker verlieten. Daardoor vielen twee uitvalslachtoffers door verwonding. De Joden en bandieten vuurden gedeeltelijk met beide handen uit pistolen.
4 mei 1943. Ontelbare Joden die zich tijdens de vuurzee op de daken vertoonden, zijn in de vlammen omgekomen. Anderen verschenen pas op het laatste moment op de hoogste verdiepingen en konden zich alleen door te springen aan de verbrandingsdood onttrekken. Op deze dag werden in totaal 2283 Joden gegrepen, daarvan 204 doodgeschoten; ontelbare Joden in bunkers en door brand vernietigd. Het totale aantal tot nu toe gegrepen Joden steeg tot 44.089.
5 mei 1943. Ook vandaag boden de Joden op verschillende plaatsen verzet voordat zij gevangen werden genomen. In meerdere gevallen werden de openingen en luiken van de bunkers van binnenuit dichtgehouden of vergrendeld, zodat alleen met een sterke springlading een opening kon worden geforceerd en de bunkerbewoners konden worden vernietigd.
6 mei 1943. Vandaag werden in het bijzonder de huizenblokken doorzocht die op 4 mei door brand waren vernietigd. Hoewel nauwelijks te verwachten viel dat hier nog mensen levend zouden worden aangetroffen, werden toch een hele reeks bunkers ontdekt waarin zich een gloeiende hitte had ontwikkeld. Uit deze bunkers en uit elders in het getto aangetroffen bunkers werden in totaal 1553 Joden gegrepen. Bij verzet en tijdens een vuurgevecht werden 356 Joden doodgeschoten.
7 mei 1943. De Joden verklaren dat zij ’s nachts frisse lucht opzoeken, omdat een onafgebroken verblijf in hun bunkers door de lange duur van de actie ondraaglijk wordt. Gemiddeld worden door de stoottroepen iedere nacht 30 tot 50 Joden doodgeschoten. Op grond van deze verklaringen moet worden aangenomen dat zich nog altijd een groter aantal Joden ondergronds in het getto ophoudt.
8 mei 1943. Volgens de afgelegde verklaringen zouden zich nog ongeveer drie- tot vierduizend Joden in ondergrondse holen, riolen en bunkers bevinden. De ondergetekende is vastbesloten de grote actie niet eerder te beëindigen voordat ook de laatste Jood is vernietigd.
9 mei 1943. De vandaag uitgevoerde grootscheepse actie had het volgende resultaat: door de ingezette doorzoekingsstoottroepen werden 42 bunkers...
Opstand en vernietiging van het getto van Warschau — vervolg
9 mei 1943. Uit deze bunkers werden 1037 Joden en ‘bandieten ’ levend naar buiten gebracht. In de strijd werden 319 bandieten en Joden doodgeschoten; bovendien werden opnieuw ontelbaren bij het opblazen van de bunkers vernietigd.
10 mei 1943. Het door de Joden geleverde verzet was vandaag onverminderd. In tegenstelling tot de voorgaande dagen hebben de nog aanwezige en niet vernietigde leden van de Joodse hoofdgevechtsgroep zich blijkbaar in de hoogst bereikbare ruïnes teruggetrokken om vandaar vurende de ingezette commando ’s verliezen toe te brengen.
11 mei 1943. In totaal werden 931 Joden en bandieten gegrepen. 53 bandieten werden doodgeschoten. In opgeblazen bunkers en bij de vernietiging van een huizenblok door brand kwamen er nog meer om. Het totale aantal tot dusver gegrepen Joden steeg tot 53.667.
12 mei 1943. Waarschijnlijk is een groot aantal Joden in de vlammen omgekomen. Omdat het vuur vóór het invallen van de duisternis nog niet was uitgebrand, konden daarover geen nauwkeurige vaststellingen worden gedaan.
13 mei 1943. De weinige Joden en misdadigers die zich nog in het getto ophielden, maakten sinds twee dagen gebruik van de schuilmogelijkheden in de ruïnes om ’s nachts naar hun bekende bunkers terug te keren, daar te eten en zich opnieuw voor de volgende dag te bevoorraden.
14 mei 1943. Er werd herhaaldelijk vanuit het Arische deel op de buitenste afzetting geschoten. Vanuit de wachtketen werd zonder pardon het vuur beantwoord.
15 mei 1943. Een speciaal commando doorzocht het laatste nog intacte gebouwencomplex van het getto nogmaals en vernietigde het vervolgens. ’s Avonds werden op de Joodse begraafplaats de kapel, de lijkenhal en alle nevengebouwen opgeblazen respectievelijk door vuur vernietigd.
16 mei 1943. De voormalige Joodse woonwijk van Warschau bestaat niet meer. Met de opblazing van de synagoge van Warschau werd de grote actie om 20.15 uur beëindigd. Het totale aantal gegrepen en aantoonbaar vernietigde Joden bedroeg in totaal 56.065.
Enkele uren geleden begonnen gewapende SS-afdelingen met tanks en artillerie met de moord op de resterende bevolking van het getto. Het getto biedt verbitterd, heldhaftig verzet. De verdediging wordt geleid door de Joodse Gevechtsorganisatie, die vrijwel alle strijdgroepen om zich heen heeft verzameld. Onophoudelijk dringen vanuit het getto kanongebulder en zware detonaties door. Het hele kwartier is in de vuurgloed van reusachtige branden gehuld. Boven het gebied van het bloedbad cirkelen vliegtuigen. De uitkomst van deze strijd staat natuurlijk van tevoren vast.
Radiotelegram van de ZOB (Joodse Gevechtsorganisatie) aan Londen, 19 april 1943
Het door de Joden en bandieten geleverde verzet kon alleen worden gebroken door energieke, onvermoeibare inzet van de stoottroepen, dag en nacht. Op 23 april 1943 gaf de Reichsführer-SS via de Höhere SS- und Polizeiführer Ost in Krakau het bevel de doorzoeking van het getto van Warschau met de grootste hardheid en meedogenloze vasthoudendheid uit te voeren. Ik besloot daarom nu de totale vernietiging van de Joodse woonwijk door het afbranden van alle huizenblokken door te voeren, ook die bij de bewapeningsbedrijven. Systematisch werd het ene bedrijf na het andere ontruimd en vervolgens door brand vernietigd.
Stroop-rapport
Hoe langer het verzet duurde, des te harder werden de mannen van de Waffen-SS, de politie en de Wehrmacht, die ook hier in trouwe wapenkameraderie onvermoeibaar de vervulling van hun taken ter hand namen en steeds voorbeeldig standhielden. De inzet duurde vaak van de vroege ochtend tot in de late avonduren.
Stroop-rapport
Het vuur woedde met ongelooflijke kracht. De straten van het getto waren vol dichte, bijtende rook. Het was duidelijk dat de Duitsers nu de monsterlijke tactiek toepasten het getto uit te roken. Toen zij zagen dat zij het verzet van de Joodse strijders met wapens niet konden breken, besloten zij de mensen door vuur te vernietigen. In de huizen verbrandden duizenden vrouwen en kinderen levend. Afgrijselijke kreten en hulproepen waren uit de brandende huizen te horen. In de ramen van vele huizen verschenen mensen, door de vlammen gegrepen, als levende fakkels.
Verslag van de ZOB, nr. 5
Het was niet zelden zo dat de Joden zich in de brandende huizen ophielden tot zij het door de hitte en uit angst voor de verbrandingsdood verkozen uit de verdiepingen te springen, nadat zij eerst matrassen en andere zachte voorwerpen uit de brandende huizen op straat hadden gegooid. Met gebroken botten probeerden zij dan nog over de straat naar huizenblokken te kruipen die nog niet of slechts gedeeltelijk in brand stonden.
Stroop-rapport
Onder de smeulende ruïnes, ver weg van de lentedag, lagen honderden van ons in een diepte van vijf meter in volkomen duisternis op de bodem van een bunker. Geen straal daglicht kon hier binnendringen; alleen de klok zei ons dat buiten de zon onderging. Elke nacht zwierven Joden die uit de donkere, bedompte schuilplaatsen naar buiten waren gekomen, door de straten op zoek naar hun families en vrienden, en elke nacht zagen wij hoe snel ons aantal afnam. Het getto kromp razendsnel. Honger en de ontdekking van bunker na bunker door Duitse patrouilles eisten hun tol.
Verslag van Cywia Lubetkin
Ook ons behoort het leven! Ook wij hebben er recht op! Men moet alleen begrijpen ervoor te vechten! Het is geen kunst te leven wanneer men je het leven genadig schenkt. Het is pas een kunst te leven wanneer men je het leven wil ontrukken. Ontwaak, volk, en vecht voor je leven! Iedere moeder worde een leeuwin die haar jongen verdedigt! Geen vader zie nog langer rustig toe op de dood van zijn kinderen! De schande van de eerste akte van onze vernietiging mag zich niet herhalen! Moge ieder huis een vesting worden! Ontwaak, volk, en vecht!!! In de strijd ligt je redding! Wie voor zijn leven strijdt, heeft de mogelijkheid zich te redden. Wij verheffen ons in naam van de strijd voor het leven van de weerlozen, die wij redding willen brengen, die wij tot daden moeten wakker schudden!
Uit een illegale oproep
Al acht dagen staan wij in een gevecht op leven en dood. Het aantal van onze slachtoffers, dus de slachtoffers van fusillades en branden waarin mannen, vrouwen en kinderen omkwamen, is enorm. Onze laatste dagen naderen. Maar zolang wij de wapens in de hand kunnen houden, zullen wij verzet blijven bieden en blijven vechten. Het Duitse ultimatum tot capitulatie wijzen wij af. Nu wij onze laatste dagen zien naderen, vragen wij u: vergeet niets! De dag zal komen waarop ons onschuldig vergoten bloed gewroken zal worden. Snel degenen te hulp die in het laatste ogenblik aan de vijand zullen ontsnappen, zodat zij de strijd kunnen voortzetten.
Verslag van de ZOB van 26 april 1943
In een andere hoek lag een kind van een jaar; het huilde en kreunde niet, het had waarschijnlijk geen kracht meer. De armpjes en beentjes waren verbrand. Ik zal zijn gezichtje nooit vergeten, waarin onmenselijke pijn weerspiegeld werd. Het gezicht en de armen van de moeder waren volledig verbrand; zij kon het kind niet in haar armen nemen.
Verslag van P. Elster
Onze leuze was: met waardigheid leven en sterven! In getto ’s en kampen hebben wij ons beijverd aan deze leuze te beantwoorden. Ondanks de grootste terreur, uiterste honger en bitterste nood hebben wij haar volgehouden tot aan de martelaarsdood van het Poolse Jodendom.
Verslag van de Joodse verzetsbeweging
Bevrijding
In juli 1944 bevrijdt het Sovjetleger het concentratiekamp Majdanek. Tegelijkertijd wordt nog bijna een half miljoen Hongaarse Joden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Zes weken lang branden de ovens dag en nacht. Pas eind november blaast de SS de crematoria op, vernietigt zij de kampakten en steekt zij de reusachtige magazijnen met de bezittingen van de vergasten in brand.
Het einde van de oorlog schrijft het laatste bloedige hoofdstuk. Veel mensen in Duitsland vrezen dit einde en proberen wanhopig voor het naderende front te vluchten. Maar degenen die de ineenstorting van Hitlers heerschappij vurig verwachten en het uur van hun bevrijding hopen, worden op bevel van Himmler naar het binnenland gesleept. Geen enkele gevangene mag levend in handen van de geallieerden vallen. Vreesde men hun verklaringen, gunde men de naar lichaam en geest gebroken mensen de terugkeer in het leven niet, of was de gedachte voor de beulen ondraaglijk dat enkele van hun slachtoffers hen zouden overleven?
De geallieerde troepen stoten van alle kanten Duitsland binnen. Een wedloop met de dood begint. De kampen in het oosten worden ontruimd. In open lorries rijden de gevangenen zonder dekens en jassen door de ijzige februarimaand. Er zijn mogelijkheden tot vlucht, maar geen van deze uitgehongerde en uitgeputte mensen heeft nog de kracht om zich voort te bewegen.
Over het spoorwegnet van het instortende Rijk rijden in de laatste oorlogsweken de spooktreinen van het ene kamp naar het andere, staan stil, worden omgeleid, houden halt en rijden verder. Van Auschwitz naar Buchenwald, van Buchenwald naar Dachau, van Dachau naar Belsen, doelloos en zonder dienstregeling, met slechtséén doel: hun lading de laatste kans op overleven te ontzeggen. Wanneer de rit na vele dagen op een zijspoor bij een kamp eindigt en de houten schuifdeuren eindelijk worden geopend, is de wagon vaak allang een lijkenkamer.
De fronten schuiven steeds sneller op. Vele concentratiekampen moet de SS hals over kop ontruimen. Gevangenen die niet meer kunnen marcheren worden in het laatste uur nog doodgeschoten of levend verbrand. In gewelddadige marsen drijven de wachtploegen voor de ogen van de geschokte Duitse bevolking een leger van ellendige gestalten over de landwegen van Thüringen en Mecklenburg naar Sleeswijk-Holstein. Wie instort en langs de weg blijft liggen, krijgt een nekschot. Bergen-Belsen, dat de laatste transporten opvangt, is een overvol massagraf, een dodenlandschap waarin honger en tyfus woeden.
De geallieerde soldaten die de concentratiekampen bevrijden, stokt het hart. Zij zien de galgen en de strafbok, de crematoria en de magazijnen met schoenen, kleren, brillen en mensenhaar. Zij zien de kisten vol uitgebroken gouden tanden en trouwringen, zij zien het boek van de doodschrijver en zij zien de mensen — doden en stervenden. Wanneer de eerste foto ’s en persberichten over de onbeschrijfelijke toestand de wereld bereiken, antwoordt de beschaafde mensheid met een kreet van ontzetting en verontwaardiging.
Voor velen van de weinigen die het einde overleven, komt het te laat. Zij hebben geen kracht meer voor een nieuw begin. Duizenden gevangenen sterven nog in de eerste weken na de bevrijding. Geen enkele verzorging kan hen nog redden. Pas na vele dagen doen geallieerde artsen de verschrikkelijke ontdekking dat velen, die men misschien nog had kunnen redden, gestorven zijn omdat zij te zwak waren om te roepen of de arm op te steken en daardoor onopgemerkt tussen de lijken waren blijven liggen.
Zo eindigde Hitlers Derde Rijk. De overwinning van de geallieerden verhinderde dat de nazi ’s hun uitroeiingsprogramma volledig konden voltooien. De balans is gruwelijk genoeg. Alle berekeningen die door vergelijking van bevolkingsstatistieken, gevonden officiële documenten en onderzoek in de vernietigingskampen zijn gemaakt, komen overeen: vijf tot zes miljoen Joden werden vermoord. Ver over een miljoen ging aan honger en epidemieën ten onder, bijna evenveel stierven onder de geweren van de executiecommando ’s; alle anderen gingen de weg naar het gas.
De laatste dagen
Mauthausen. Obergruppenführer Pohl stuurde mij op een dag zonder enige voorafgaande aankondiging 6000 vrouwen en kinderen, die tien dagen lang zonder voedsel onderweg waren geweest. Zij werden in december 1944 in ijzige winterkou in open kolenwagons zonder dekens vervoerd. De kinderen heb ik op bevel uit Berlijn naar Bergen-Belsen in mars moeten zetten, en naar ik vermoed zijn zij allemaal gestorven. Jodentransporten: in aanwezigheid van de Gauleiter Rainer, dr. Überreiter, dr. Jury, Baldur von Schirach en anderen heb ik van Himmler de volgende bevelen ontvangen: de Joden van de stellingenbouw ‘Südosten ’ moeten te voet vanuit alle plaatsen in beweging worden gezet. Doel: Mauthausen. Daarna zouden 60.000 Joden naar Mauthausen komen. Slechts een gering deel daarvan is daadwerkelijk aangekomen. Als voorbeeld noem ik een transport dat met 4500 Joden vertrok en met 180 personen in Mauthausen aankwam. Van welke plaats dit transport vertrok is mij onbekend. Vrouwen en kinderen waren zonder schoenen, in lompen en vol luizen. In het transport bevonden zich hele families, waarvan tallozen onderweg wegens algemene lichamelijke zwakte werden doodgeschoten.
Verklaring van de commandant van Mauthausen, Franz Ziereis
Bergen-Belsen. Gedreven door slagen begonnen zij soms plotseling vooruit te gaan als een kudde vee, de een de ander duwend. Het was onmogelijk hun namen uit hen te krijgen. Het vriendelijkste woord had niet de kracht hen tot spreken te bewegen. Een lange, starre, uitdrukkingsloze blik was alles. Als zij probeerden te antwoorden, konden hun tongen het gehemelte niet bereiken om een klank voort te brengen. Men merkte alleen hun vergiftigde adem, die uit ingewanden leek te komen die al in ontbinding verkeerden. Zo zagen de transporten eruit in de winter van 1944/45, in die winter waarin de dood het ontzaglijke aantal van 13.000 geïnterneerden in de laatste drie maanden voor onze bevrijding opeiste.
Verslag van dr. Georg Straka
Oederan. In het kamp heerste al grote opwinding, want ’s middags om drie uur moesten wij voor de afmars aantreden. Het bevel luidde: gevangenen en het gehele bewakingspersoneel aantreden voor evacuatie voor de vijand. Doel onbekend. Tegen acht uur hoorden wij al kanongebulder, en onze harten sloegen sneller in de hoop dat het toch niet meer zover zou komen. Toen wij om drie uur opstelden, trilden de ruiten en de grond onder onze voeten. Hand in hand met mijn vriendin, uitgerust met een emmer volgestopt met mijn bezittingen, stonden wij met vijfhonderd vrouwen op de binnenplaats van ons kamp, om ons nogéén keer onder dit harde juk te buigen. En dit in het aangezicht van de geallieerden, van wie wij de stemmen hoorden en die ons vurige smeken niet konden horen. Onder escorte van bewapende Landsturm en Hitlerjugend gingen wij, in onze grijze dekens gehuld, weg. Wij liepen naar het station en werden in open kolenwagons geladen.
Verslag van Grete Salus
Dachau. 8000 mensen — Russen, Joden, Duitsers, onder hen 100 priesters — marcheerden zwijgend door de nacht, bewaakt door bijna 1000 man SS en vele speurhonden. Al na het eerste uur zie ik de eerste pakketten rechts en links van de weg liggen; de twee wollen dekens die iedereen moest meenemen zijn voor deze uitgemergelde lichamen al te zwaar. Maar al snel liggen ook de eerste gevangenen totaal uitgeput aan de kant van de weg. Wij horen schoten door de stilte van de nacht klappen; het lot van de gevangenen uit Auschwitz lijkt zich te herhalen. Nu in het twaalfde uur niet verslappen! Veertig kilometer marcheerden wij in die nacht. Tegen de ochtend bereikten wij de eerste rustplaats, het Mühltal bij de Starnberger See. Ik viel uitgeput op de bosgrond en sliep in. Schoten wekten mij en de roep: hondengeleider! Dus is iemand gevlucht — hopelijk krijgen zij hem niet! Later hoorde ik dat het een jonge kapelaan van het bisdom Münster was, aan wie als eerste van ons de vlucht gelukte.
Verslag van pater Pereira S.J., Trier
Het einde
Bergen-Belsen. Vier dagen na de bezetting van Buchenwald door de Amerikanen bereikten Britse troepen van generaal Dempsey ’s XIe pantserdivisie het gevangenenkamp Belsen, tussen Hannover en Bremen. Daar vonden zij 28.000 vrouwen, 11.000 mannen en 500 kinderen. In Belsen heerste niet alleen honger, maar ook tyfus.
Reusachtige ovens waren opgericht om de lijken te verbranden, maar in Belsen, zoals ook in Buchenwald, was de sterfte te groot om het werk van de ovens gelijke tred te laten houden met het aantal dagelijks stervenden. Bovendien begon ook hier de kolenvoorraad steeds schaarser te worden.
Uit rapporten die aan de Britse generaal-arts werden overhandigd, bleek dat in de laatste maanden 30.000 mensen in Belsen waren omgekomen. Toen de Engelsen arriveerden waren er in het kamp — naast grote kuilen vol verkoolde botresten — nog een heel aantal lijkenhopen. Elke stapel bevatte verscheidene honderden naakte, al sterk in ontbinding verkerende lichamen. Met straatploegen lieten generaal Dempsey ’s soldaten lange greppels uitgraven waarin telkens 500 of 1000 lijken konden worden begraven. Daarna moesten de vroegere bewakingsploegen — mannen en vrouwen — de lichamen aandragen van hen die aan epidemieën waren bezweken, verhongerd, gestikt of doodgeschoten.
Pas na een week was men zo ver dat de lijkenhopen niet meer groeiden, omdat men de mensen in massagraven nu eindelijk even snel kon begraven als zij stierven.
Fotoverslag ‘KZ ’ van de Amerikaanse informatiedienst
Buchenwald. De grootte van het kamp kan men daaraan afmeten dat de maximale capaciteit op 120.000 werd geschat. Op 1 april van dit jaar bedroeg het aantal gevangenen 80.813. Enkele dagen voor de aankomst van de Amerikaanse troepen (11 april) verwijderden de nazi ’s nog een groot aantal gevangenen, naar schatting 18.000 tot 22.000. Sommigen van hen die men wilde uitwissen omdat zij ‘te veel wisten ’, konden zich verbergen. Het was onmogelijk een nauwkeurige schatting te maken van het percentage van de verschillende nationaliteiten die in het kamp overbleven; wij troffen vele Joden en niet-Joodse Duitsers aan, Polen, Hongaren, Tsjechen, Fransen, Belgen, Russen en anderen. Een uitvoerig rapport dat ons door vertegenwoordigers van een antifascistisch comité werd overhandigd, gaf aan dat het totale aantal van degenen die in Buchenwald of onmiddellijk na hun overbrenging van daaruit in een zogenaamd ‘vernietigingskamp ’ waren gestorven of gedood, 51.572 bedroeg — daarvan minstens 17.000 sinds 1 januari 1945.
Hoewel het schoonmaakwerk in het kamp al meer dan een week vóór onze aankomst op gang was en de omstandigheden dus al aanzienlijk verbeterd moesten zijn, bleef onze eerste en blijvende indruk die van een ongelooflijke algemene vuilheid; de stank van ontbinding en ziekte verpestte het hele terrein. Een van de eerste hutten die wij binnengingen, was nog een van de beste. Deze barak diende nu als doorgangshospitaal voor enkele van de zwaarste gevallen van ondervoeding. Velen waren niet meer in staat te spreken; zij lagen in een schemertoestand of volgden ons met hun ogen. Sommigen spraken wel en toonden hun wonden, zware schaafplekken en bulten, die slechts door schoppen en slagen veroorzaakt konden zijn. Zij lagen op de aarde, op en onder dekens. Allen verkeerden in een toestand van volledige uitmergeling.
De Amerikaanse autoriteiten deelden ons mee dat sinds hun aankomst het aantal doden van ongeveer honderd tot vijfendertig per dag was gedaald. De gebruikelijke kleding bestond uit een gescheurde rok, een vest of een katoenen jasje, waaronder dijen uitstaken die niet dikker waren dan normale polsen. Een halfnaakt skelet dat moeizaam als op stelten door de gang kwam, richtte zich op toen het ons gezelschap zag, glimlachte en groette. De medische leden van onze delegatie waren ervan overtuigd dat een deel van deze mensen zelfs bij de behandeling die zij nu ontvingen niet meer zou overleven en dat een nog groter deel, dat waarschijnlijk wel in leven kon blijven, voor de rest van het leven ziek en arbeidsongeschikt zou zijn.
Verslag van een Britse parlementaire delegatie
De balans
Ik, Wilhelm Hoettl, verklaar hierbij onder ede: eind augustus 1944 sprak ik met de mij sinds 1938 bekende SS-Obersturmbannführer Adolf Eichmann. Het gesprek vond plaats in mijn woning in Boedapest. Eichmann was naar mijn weten op dat moment afdelingsleider in Amt IV (Gestapo) van het Reichssicherheitshauptamt en bovendien door Himmler belast met het registreren van de Joden in alle Europese landen en hun transport naar Duitsland. Eichmann stond toen sterk onder de indruk van de uittreding van Roemenië uit de oorlog. Daarom was hij ook naar mij toe gekomen om zich over de militaire situatie te laten informeren.
Hij gaf uitdrukking aan zijn overtuiging dat de oorlog voor Duitsland nu verloren was en dat hij persoonlijk geen verdere kans meer had. Hij wist dat de Verenigde Naties hem als een van de belangrijkste oorlogsmisdadigers beschouwden, omdat hij miljoenen Jodenlevens op zijn geweten had. Ik vroeg hem hoeveel dat er waren. Hij antwoordde dat het een groot rijksgeheim was, maar dat hij het mij toch zou zeggen, omdat ik als historicus daarvoor belangstelling moest hebben en hij van zijn commando naar Roemenië waarschijnlijk toch niet meer zou terugkeren.
Kort daarvoor had hij voor Himmler een rapport opgesteld, omdat deze het exacte aantal gedode Joden wilde weten. Op basis van zijn informatie kwam hij volgens eigen zeggen tot het volgende resultaat: in de verschillende vernietigingskampen waren ongeveer 4 miljoen Joden gedood, terwijl nog eens 2 miljoen op andere wijze de dood hadden gevonden, waarvan het grootste deel door de Einsatzkommandos van de Sicherheitspolizei tijdens de veldtocht tegen Rusland door fusillades was omgebracht.
Himmler zou met dat rapport niet tevreden zijn geweest, omdat naar zijn mening het aantal gedode Joden groter moest zijn dan zes miljoen. Hij had verklaard dat hij een man van zijn statistische bureau naar Eichmann zou sturen, zodat deze op basis van Eichmanns materiaal een nieuw rapport kon opstellen waarin het exacte aantal zou worden uitgewerkt.
Ik moet aannemen dat deze informatie van Eichmann juist was, omdat hij van alle in aanmerking komende personen beslist het beste overzicht had over het aantal vermoorde Joden. Ten eerste ‘leverde ’ hij via zijn speciale commando ’s als het ware de Joden aan de vernietigingsinrichtingen en kende hij dat aantal dus nauwkeurig; ten tweede wist hij als afdelingsleider in Amt IV van het RSHA, dat ook voor de Jodenaangelegenheden bevoegd was, zeker het best hoeveel Joden op andere manieren waren omgekomen.
Daar kwam bij dat Eichmann door de gebeurtenissen op dat moment bepaald in een zodanige geestelijke toestand verkeerde dat hij geen enkele bedoeling had mij iets onwaars te zeggen. Ik zelf weet de bijzonderheden van dit gesprek daarom zo nauwkeurig, omdat het mij vanzelfsprekend zeer had aangegrepen en ik al vóór de Duitse ineenstorting nadere gegevens daarover aan een Amerikaanse instantie in neutraal buitenland doorgaf waarmee ik op dat moment in verbinding stond.
Ik zweer dat ik bovenstaande vrijwillig en zonder dwang heb verklaard en dat deze gegevens naar mijn beste weten en geweten de waarheid zijn.
Beëdigde verklaring van de voormalige SS-Sturmbannführer dr. Wilhelm Hoettl
Luitenant-kolonel Brookhart: Wanneer zag u Eichmann voor het laatst?
Wisliceny: Ik heb Eichmann voor het laatst eind februari 1945 in Berlijn gezien. Hij verklaarde toen dat, als de oorlog verloren zou gaan, hij zelfmoord zou plegen.
Luitenant-kolonel Brookhart: Zei hij toen iets over het aantal gedode Joden?
Wisliceny: Ja, hij drukte dat op een bijzonder cynische wijze uit. Hij zei dat hij lachend in zijn graf zou springen, want het gevoel dat hij vijf miljoen mensen op zijn geweten had, zou voor hem buitengewoon bevredigend zijn.
Beëdigde getuigenverklaring van de voormalige SS-Hauptsturmführer Dieter Wisliceny in Neurenberg, 3 januari 1946
Terwijl de oorlog nog voortduurde, begon men in de bevrijde gebieden al met de opgraving van de slachtoffers. Enkele maanden later stuitten de geallieerde troepen bij hun opmars door Polen en Duitsland op de grote concentratiekampen, waarin een leger van door ziekte en ontbering misvormde menselijke wezens op de bevrijding wachtte. Vaak kwamen de geallieerde soldaten te laat. Velen stierven nog in de laatste dagen vóór de bevrijding, velen in de eerste weken daarna.
Aan de kampcommandanten van Dachau en Flossenbürg: overdracht komt niet in aanmerking. Het kamp moet onmiddellijk worden geëvacueerd. Geen enkele gevangene mag levend in handen van de vijand vallen.
Heinrich Himmler, 4 april 1945
Wend je blik naar de hopen lijken, beschouwer van de tijdgeschiedenis, blijf slechtséén ogenblik staan en bedenk: dit arme restant van vlees en botten is je vader, je kind, je vrouw, de mens die je lief is. Zie jezelf en je naasten, aan wie je hart en je gedachten hangen, naakt in het vuil geworpen, gemarteld, uitgehongerd, gedood.
Eugen Kogon
Honderdduizenden kinderen werden in Auschwitz vergast. Slechts een kleine groep tweelingen, die door de SS-artsen voor medische experimenten was uitgekozen, beleefde de bevrijding door het Rode Leger. Bereidwillig lieten de kinderen aan fotografen de ingëtatoeëerde nummers op hun armen zien.
Amerikaanse artsen stelden vast dat de gevangenen gemiddeld tussen 28 en 36 kilogram wogen. De meesten hadden vijftig tot zestig procent van hun normale gewicht verloren en waren onder hun normale lengte ineengeschrompeld. De zware kampjaren hadden in veel gevallen ongeneeslijke lichamelijke en geestelijke schade veroorzaakt. Vele overlevenden bezaten niet eens meer de kracht om op te staan en bleven apathisch in hun barakken liggen. De weinigen die nog gezond waren moesten helpen hun kameraden te begraven en het kamp op te ruimen om het besmettingsgevaar in te dammen.
Vaak moesten de overlevenden ervaren dat zij als enigen van een grote familie waren overgebleven. Dikwijls kon men hun niet eens zeggen wanneer en waar hun verwanten gestorven waren. Misschien waren zij al jaren eerder in Auschwitz verbrand, misschien behoorden zij ook tot het naamloze leger van doden dat Britse soldaten in Belsen met bulldozers bij duizenden in grote massagraven schoven. Voor dr. Klein, de kamparts van Belsen, waren zij allemaal slechts ongedierte.
De hoofdverdachten in Neurenberg
Wie is schuldig? Degenen die de moord bevalen, degenen die haar uitvoerden, degenen die eraan verdienden, of degenen die erover zwegen?
De beulen beriepen zich op hoogste bevelen, maar de leiders van het Derde Rijk konden zich nergens meer iets van herinneren. Voor zover zij zich niet door zelfmoord aan het gerecht onttrokken, boden zij een erbarmelijk beeld. Jarenlang waren zij voor geen enkel misdrijf teruggeschrikt. Nu wilde niemand het geweest zijn. Göring, die de ‘Endlösung ’ had bevolen, ontkende van de massamoorden te hebben geweten. Kaltenbrunner, Heydrichs opvolger in het RSHA, schoof alle schuld op de dode Himmler. Ribbentrop, de minister van Buitenlandse Zaken, deed zich voor als een machteloze bureaubode van Hitler; Keitel, de chef van het opperbevel van de Wehrmacht, beweerde misleid te zijn, en Streicher, de opzweper van de antisemitische moordhaat, noemde zichzelf een onschuldige schrijver.
De afgelopen veertig jaar van de twintigste eeuw zullen in de geschiedenisboeken tot de bloedigste van alle tijden worden gerekend. Twee wereldoorlogen hebben een erfenis van doden achtergelaten die in aantal groter is dan alle legers die aan welke oorlog uit de oudheid of de middeleeuwen dan ook deelnamen. Geen half eeuw heeft ooit een afslachting op zulk een schaal gezien, zulke wreedheden en onmenselijkheden, zulke massadeportaties van volkeren tot slavernij, zulke uitroeiingen van minderheden. De verschrikking van Torquemada verbleekt tegenover de nazi-inquisitie.
Deze daden zijn duistere historische feiten die toekomstige generaties aan deze eeuw zullen herinneren. Als wij niet in staat zijn de oorzaken van deze barbaarse gebeurtenissen weg te nemen en hun herhaling te verhinderen, dan is het geen onverantwoordelijke profetie te zeggen dat het deze twintigste eeuw misschien nog zal gelukken het onheil voor de beschaving te voltooien.
Robert H. Jackson, de Amerikaanse hoofdaanklager in Neurenberg
Dankwoord
Dit boek kon in de korte tijd van nog geen twee jaar ontstaan, omdat het profiteerde van het omvangrijke onderzoek naar de geschiedenis van het Derde Rijk dat sinds het einde van de oorlog door meerdere grote instituten is verricht. Zij allen hebben de redacteur toegang gegeven tot de collecties van hun archieven en hem in ieder opzicht ondersteund.
Dank is in het bijzonder verschuldigd aan dr. Leon Czertok, Centre de Documentation Juive Contemporaine, Parijs; dr. Louis de Jong, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, Amsterdam; dr. Helmut Krausnick, Institut für Zeitgeschichte, München; prof. dr. Bernard Mark, Zydowski Instytut Historyczny, Warschau; mgr. Kazimierz Smolen, Panstwowe Muzeum Oswiecim, Auschwitz; dr. Hana Volavkova, Statni zidovske museum, Praag; en dr. Alfred Wiener, Wiener Library, Londen.
Ook Olga Wormser en Ulrich Hessel, Parijs; dr. Leo Kahn, Londen; drs. A. H. Paape, Amsterdam; mejuffrouw D. Biedermann en B. Diebold, Berlijn, hebben op uiteenlopende wijze onmisbare hulp verleend. Verder wordt verwezen naar de documentatie van de Joodse Historische Commissie in Polen en naar fundamentele werken van Gerald Reitlinger, Leon Poliakov en Josef Wulf.
Tijdtafel
1933 — Hitler wordt op 30 januari rijkskanselier. Kort daarna volgen verbod op demonstraties, inzet van SA en SS als hulppolitie, de Rijksdagbrand, opschorting van democratische grondrechten, de eerste grote arrestatiegolf, het Ermächtigungsgesetz, de eerste concentratiekampen, boycot van Joodse winkels en uitsluiting van ‘niet-Arische ’ ambtenaren.
1934 –1935 — Verdere militarisering, versterking van de SS, dood van Hindenburg, en de rassenwetten van Neurenberg die Joden hun burgerrechten ontnemen en huwelijken en relaties tussen Joden en ‘Ariërs ’ verbieden.
1938 — ‘Joodse voornamen ’ worden verplicht, paspoorten van Joden met een ‘J ’ gemerkt, uitwijzing van staatloze Joden naar Polen, de aanslag van Grynszpan in Parijs, de Reichskristallnacht, massale arrestaties, uitsluiting van schoolbezoek, invoering van woonbeperkingen en gedwongen ‘arisering ’ van Joodse bedrijven.
1939 — Duitse aanval op Polen; begin van de Tweede Wereldoorlog. Eerste deportaties uit Oostenrijk en Bohemen naar Polen. Invoering van de Jodenster in delen van bezet Polen. Hans Frank wordt gouverneur-generaal.
1940 — Bezetting van Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Oprichting van het getto vanŁódź . Het getto van Warschau wordt hermetisch afgesloten. Deportaties uit Baden, de Palts en het Saargebied naar Zuid-Frankrijk beginnen.
1941 — Deportaties naar het getto van Warschau. De eerste Nederlandse Joodse gijzelaars worden naar Mauthausen gedeporteerd. De aanval op de Sovjet-Unie luidt pogroms, massaschietingen en de vorming van Einsatzgruppen in. Göring belast Heydrich met de voorbereiding van de ‘Endlösung ’. De Jodenster wordt verplicht in het Duitse Rijk.
1942 — Wannseeconferentie. Deportaties naar Theresienstadt en Auschwitz nemen toe. Vernietigingskampen zoals Bełżec en Sobibór functioneren. De massadeportaties uit Warschau, Frankrijk, Nederland en België beginnen. De vernietigingspolitiek wordt over vrijwel heel Europa uitgebreid.
1943 — Eerste gewapende tegenstand in Warschau. Transporten uit Theresienstadt en andere gebieden naar Auschwitz. Opstand en vernietiging van het getto van Warschau. Opstanden in Treblinka en Sobibór. Liquidatie van resterende getto ’s in Oost-Europa.
1944 — Sovjettroepen bevrijden Majdanek. Deportatie van ongeveer 476.000 Joden uit Hongarije naar Auschwitz. Ontruiming van getto ’s en kampen, laatste vergassingen in Auschwitz, vernietiging van crematoria, bevrijding van Boedapest.
1945 — Bevrijding vanŁódź , Auschwitz, Buchenwald, Bergen-Belsen, Dachau en Theresienstadt. Dodenmarsen en laatste massaslachtingen bij de ontruiming van kampen. Zelfmoord van Hitler en Himmler. Capitulatie van Duitsland. In november begint het Neurenbergproces.
Tekstbronnen en beeldbronnen
Om de oorspronkelijke vorm van de documenten te bewaren, werd de verschillende en soms foutieve spelling van persoons- en plaatsnamen ongemoeid gelaten. De opgenomen officiële documenten en getuigenverklaringen zijn, tenzij anders vermeld, steeds uittreksels. De volledige bron is telkens in het register vermeld.
Bij de beeldbronnen gaat het grotendeels om officiële opnamen, gemaakt op last van of met toestemming van de nazi-autoriteiten. Andere beelden zijn afkomstig uit achtergelaten Gestapo-archieven, particuliere opnamen van soldaten of SS ’ers, of illegale foto ’s van leden van de verzetsbeweging. De beelden van de bevrijde kampen zijn voor een belangrijk deel gemaakt door persfotografen van de geallieerde troepen.
Onder de genoemde instellingen bevinden zich onder meer het Centre de Documentation Juive Contemporaine in Parijs, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam, de Wiener Library in Londen, het Zydowski Instytut Historyczny in Warschau en het Panstwowe Muzeum Auschwitz.

